De ijsvrouw

Ze proberen zo snel mogelijk over het gladste ijs te glijden. Op weg naar de snelste tijd aller tijden, op weg naar de triomf en naar de verheerlijking door Mart Smeets en de zijnen. Ze waken ervoor niet uit te glijden, want een val op hun bips doet pijn en kan geest en lichaam voor lange tijd schade berokkenen. Ik hoor ze al weer klagen, de meisjes van schaatsplezier. Ach en wee, mijn beeldscherm wordt onophoudelijke gevuld met zeurende meisjes die maar niet kunnen schaatsen zoals zij en hun coaches zouden willen.

Dat gedoe van schaatsmeisjes in erotiserende kleding hangt me de keel uit. Een vacuüm verpakt meisjeslijf wil de zinnen nog wel prikkelen, maar zodra dat lijf voor een gretig uitgestoken microfoon gaat piepen en zaniken verdwijnt bij mij bijna elke vorm van lust. Dan nog liever het verschijnen van Gretha Smit, de ijsvrouw temidden van salondames, die het ijs neemt zoals het is en van de ene op de andere dag de in luxe gewentelde meisjes met forse slagen voorbijsnelt en haar kont laat zien.

Wat bezielt trainers en coaches leuke schaatsstertjes eerst te verwennen en vervolgens over het ijs te sturen, als zich een 25-jarige vrouw als Gretha Smit heeft aangediend? Waarom hebben zij niet hun mannelijke driften en machtswellust laten varen om de boerendochter uit Overijssel terzijde te staan op weg naar de Olympische Spelen? Is de manier waarop zij onlangs in een opwelling de in couveuses en broeikassen vertroetelde meisjes tijdens kwalificatiewedstrijden voor de Winterspelen vernederde dan niet toereikend voor de heren kenners om het `damesschaatsen' voorgoed de rug toe te keren en vrouwen als Gretha of haar zussen Jenita en Marjanne te vertroetelen?

Rouveen, aan de Klaas Kloosterweg West, daar verdringen zich nu de schaatswetenschappers om het geheim van Gretha te ontdekken. Het moet een vreemde gewaarwording voor hen zijn op het erf van boerderij Smit: geen windtunnels, geen schuur vol klapschaatsen en luchtstrips en geen schuur vol voedingssupplementen. Het stinkt er naar boeren en boerinnen, naar hooi, mest en natuur. Hier heerst nog de oorspronkelijke mens, nog niet besmet met het wouldbe-virus van de Amsterdamse grachtengordel en zijn kletsmajoors en betweters. Hier werken ze nog omdat de natuur daarom vraagt, hier lappen ze het geïdeologiseer van intellectuelen aan hun laars, omdat ze wel beter weten: hier wordt echt geleefd.

Gretha houdt van schaatsen omdat het bij haar opvoeding hoort: je schaatst als het heeft gevroren, omdat de winter werken onmogelijk maakt en bevroren water verpozing biedt. Als het vriest, bevriezen je wangen, als het vriest, heb je het koud dat is schaatsen. Schaatsen doe je niet in een broeikas vol lallende feestgangers, schaatsen doe je omdat je hebt geleerd dat het stervenskoud zal zijn en niet in Thialf, waar het virus van Joop van den Ende en John de Mol zich verspreidt dankzij ijdeltuiten als Mart Smeets en de zijnen. In Thialf heerst slechts de opwinding van mensen die vluchten uit de realiteit.

Straks als de Winterspelen in Salt Lake City om aandacht vragen, zal de Rouveense u weet wel die bloemiste annex boerin die in haar vrije tijd marathonafstanden schaatst en als uitdaging meende haar krachten met de salonschaatsters te moeten meten worden omringd door de media. Hoe komt het toch, Gretha, dat jij op lange afstanden zo hard schaatst en nooit moe lijkt te worden? Het antwoord ligt voor de hand, voor wie niet in de stad is opgegroeid maar op het platteland: Zwijg, laat zien wat je kunt, lul niet zoveel, doe gewoon.