Vuurvaste serpenten

Elf handschriften zijn bekend van Dat seste boec van serpenten, het zesde hoofdstuk van Jacob van Maerlants Der naturen bloeme. Neerlandicus en slangenliefhebber Marcel van der Voort ontdekte dat middeleeuwse fantasieën over serpenten vaak verklaarbaar zijn.

`Geen giftig dier kan zoveel schade aanrichten als de salamander. Alleen al door in een boom te klimmen, vergiftigt een salamander het fruit, zodat iedereen sterft die ervan eet. Als ze in een put valt, is haar gif dodelijk voor wie uit die put drinkt. (...) De salamander is een serpent dat in het vuur blijft leven en het zelfs dooft.'

Deze vertaling van een fragment uit Dat seste boec van serpenten klinkt in moderne oren als pertinente onzin. Toch bevat het zesde hoofdstuk uit de eerste Europese natuurencyclopedie in de volkstaal Der nature bloeme, in 1270 geschreven door Jacob van Maerlant, soms een kern van waarheid.

``Sommige salamanders scheiden in noodgevallen een secreet uit'', zegt Marcel van der Voort, die onlangs promoveerde op Maerlants boek over serpenten, ``en wie dat ziet gebeuren in het vuur, zou kunnen denken dat het dier de vlammen ermee wil doven. Zo vreemd is het niet dat Maerlant salamanders vuurvastheid toedicht. Hij was schrijver, geen natuurkenner, misschien heeft hij zelf nooit een slang gezien. De man baseerde zich op het Latijnse Liber de natura rerum door Thomas van Cantimpré, die weer teruggreep op kennis van klassieke auteurs. Veel wetenswaardigheden doorstonden de eeuwen ongetoetst, zeker over de geheimzinnige serpenten, waaronder behalve slangen ook draken, salamanders, hagedissen, schildpadden, schorpioenen en tarantula's vielen. Aristoteles had het al over onbrandbare salamanders. En kennen we vandaag de dag niet de vuursalamander?''

Mensenspuug

Twee slangen van een meter of anderhalf liggen roerloos in een terrarium in Van der Voorts werkkamer. ``Zwarte rattenslangen'', zegt hij, ``wurgslangen uit Noord-Amerika. Nee, ze doen niets, houd maar even vast. Eén en al spieren, voel je wel?'' Eind jaren tachtig kocht Van der Voort zijn bijzondere huisdieren aan. Hij ging over slangen lezen. Als specialist in Middelnederlands wist hij van het bestaan van Maerlants natuurencyclopedie, de oudste in het Nederlands. ``Ik las het slangendeel, waarin Maerlant het heeft over draken en tweekoppige slangen'', vertelt hij. ``Een slang zou doodgaan van mensenspuug en vluchten voor een naakte mens. Het boek stond vol met dergelijke ogenschijnlijk baarlijke nonsens en ik zocht een cultuurhistorische of herpetologische uitleg. Die bleek niet te bestaan en toen ben ik die zelf maar gaan schrijven.'' Dat deed hij naast zijn baan als leraar Nederlands. Na twaalf jaar ligt er een leesbaar geschreven herpetologisch en filologisch proefschrift van 480 bladzijden.

``Ik kwam erachter dat die misverstanden over slangen vaak een kern van waarheid hadden'', zegt Van der Voort. ``Zo beweert Maerlant dat de staart van een slang weer aangroeit als je hem had afgehakt. Dat is slechts zelden het geval, maar het is bij uitstek een eigenschap van hagedissen, die ook tot de serpenten werden gerekend.''

Dat een slang niet tegen mensenspuug bestand is (`dat des menschen nuchterne spu die serpente sterven doet) wordt wellicht verklaard door wat de Leidse herpetoloog Brongersma meemaakte. Vroeger verzamelde Brongersma slangen voor het Leidse Rijksmuseum. ``Zijn inlandse helpers vergiftigden slangen door een pluk uitgekauwde tabak in hun bek te proppen'', vertelt Van der Voort. `Zo bleven de slangen gaaf. Hedendaagse slangenbezweerders kunnen met hun speeksel agressieve slangen van de ene minuut op de andere apathisch maken. Die hebben misschien een verdovend kruid zitten kauwen.''

Nuchtere maag

Dat Maerlant meende dat het mensenspeeksel uit de nuchtere maag moest komen, heeft volgens Van der Voort een religieuze reden. Een lege maag is zuiver, en alleen met zuiverheid kan een slang verjaagd worden. De slang was in de christelijke cultuur immers een duivels creatuur. De bijbel begint met de verleiding van Eva door de slang en daarmee is de trend voor beide testamenten gezet. `Dat serpent vliet dart den menschen naket ziet', schreef Maerlant, volgens Van der Voort omdat ``een naakte mens de slang herinnerde aan de tijd voor de zondeval.''

Dat, zoals Maerlant schrijft, `hare tonghe lanc suart ende gespleten is', klopt. Maar dat `sijn saet nader vissche maniere gaet', klopt niet. Slangen kennen geen uitwendige bevruchting, zoals vissen. Van der Voort denkt dat de vergelijking het gevolg is van het feit dat slangen net als vissen geen uitwendige geslachtskenmerken hebben. Alleen tijdens de paring stulpt een penis uit. Dat slangen daarmee niet urineren, had Maerlant bij het rechte eind: `Sine pissen groet no cleene, Want si ne hebben blase negheene.' ``Slangen hebben inderdaad geen blaas'', zegt Van der Voort. ``De urine komt als een ingedikte koek met de ontlasting mee naar buiten.''

Maerlant beschrijft de ansibena, een slang met twee koppen: `Dat hevet staende I hovet voren ende ander in den start.' Volgens Van der Voort heeft Maerlant het hier over de wormhagedis, waarvan de staart sterk op de kop lijkt. Zo'n nep-kop is een handige afleidingsmanoeuvre voor prooien of belagers. De ansibena zou met beide koppen eten en op tegenstanders afkruipen. ``Zo zie je hoe bij zo'n begrijpelijk misverstand van alles wordt verzonnen om het maar te laten kloppen'', aldus de gepromoveerde.

Maerlant dicht slangen een levensduur toe van `M iaer oft meer', duizend jaar. Elders schrijft hij: `Langhe leven mach dat serpent. Want ast hem veroudert (...), so rumet sijn vel dat het hevet an. Dan cruptet dor en nouwe gat daret of mach stropen dat, ende vernieuwet sine ioghet.' Slangen vervellen regelmatig en zien er dan als nieuw uit. Van der Voort denkt dat die steeds terugkerende jeugd tot de veronderstelling leidde dat slangen wel stokoud moesten worden. Dat vervellen ligt waarschijnlijk ook te grondslag aan Maerlants stelling dat slangen hun gezichtsvermogen herwinnen, nadat ze blind worden gemaakt: `Oec werdet weder siende serpent, Eist so datment maket blent.' Dat is niet waar, maar als een slang zijn oude, te krappe huid afstoot, vormt zich daar eerst een vettige afscheiding onder, die de ogen vertroebelt. ``Een slang lijkt dan blind'', vertelt Van der Voort.

Maerlant stelt dat alle slangen giftig zijn (`Dat venijn comt van hem allen') en noemt er één die zo giftig is dat je dood bent voordat je zijn beet voelt. Tegenwoordig is bekend dat de meeste slangen niet giftig zijn. Zelfs notoire gifslangen als cobra's bijten pas als ze opgejaagd worden en zijn dan nog zuinig op hun gif. Niettemin volstaat een gram cobragif om 165 mensen te doden. De ipnale, waardoor Cleopatra zich volgens Maerlant liet dood bijten, is waarschijnlijk een cobra. `Dit serpent doet sterven sachte', schrijft Maerlant en Van der Voort zegt dat een cobrabeet geen helse pijnen veroorzaakt, maar een zachte dood. Cleopatra `settese tharen burste an ende ghinc ligghen bi haren man'. Zo beschrijft Maerlant haar zelfmoord toen ze zich bij haar dode minnaar Antonius voegde. In de Latijnse bron-tekst van Maerlants boek laat Cleopatra zich trouwens in haar arm (brachio) bijten. Dat Maerlant haar de slang op haar borsten liet zetten, is wellicht geïnspireerd door middeleeuwse verhalen over vrouwen die slangen en zelfs draken de borst gaven.

Overschrijven

Na een paar jaar slangenonderzoek besloot Van der Voort erop te promoveren. Hij zocht Maerlant-biograaf Frits van Oostrom op. ``Die had niets met slangen, maar wilde meewerken op voorwaarde dat het primair een filologische, geen biologische studie zou worden'', herinnert Van der Voort zich. Er zijn elf handschriften bekend van dat seste boec van serpenten, die bewaard worden in Leiden, Brussel, Londen, Bremen, Münster, Detmold, Hamburg, Berlijn, Wolfenbüttel en twee in Den Haag. De door Maerlant zelf geschreven versie is verloren gegaan, de elf handschriften zijn kopieën uit de dertiende tot vijftiende eeuw. Kopiëren kwam in die dagen neer op overschrijven en daarbij worden fouten gemaakt, passages geschrapt of toegevoegd. De promovendus dokterde uit welke versie het dichtst bij de oorspronkelijke tekst van Maerlant staat, door alle handschriften onderling en met de Latijnse tekst van Van Cantimpré te vergelijken. Hij deed cursussen Latijn in de avonduren maar kreeg voor de integrale vertaling van Liber de natura rerum hulp van een bevriend Latinist.

De onderzoeker reisde naar bibliotheken in Den Haag, Leiden, Münster, Brussel en Londen, om de middeleeuwse handschriften te bestuderen. Die documenten worden achter slot en grendel bewaard. ``Maar de aanbeveling van Van Oostrom opende deuren'', vertelt Van der Voort. ``In Münster fleurde de conservatrice zichtbaar op van die naam. En zelfs in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag kwam het handschrift te voorschijn, dat anders nooit uit de kluis komt. De vijf overige handschriften heb ik op fotokopie, film of microfiche bestudeerd. Dat heeft als nadeel dat je bijvoorbeeld niet kunt zien of een kopiist een woord heeft weg gekrabd. Een kommaatje op een kopie zou in het echt een scheurtje in het perkament kunnen zijn.''

Al gauw werd het Van der Voort duidelijk dat het Londense handschrift ``verreweg het beste'' was. ``Het staat heel dicht bij het Latijnse origineel'', zegt hij, ``terwijl alle andere daar soms flink van afwijken.'' Vers 25 behandelt het `pissen van de slang', maar in het handschrift uit Münster gaat het over `zeyken'. Hoe zo'n kleine verschrijving tot grote misverstanden kan leiden, bewijst vers 833. In tien handschriften staat `Driehande', wat drie soorten betekent. Alleen het Londense handschrift maakt melding van `Drie tande'. Die kopiist zat zeker te suffen, is de logische veronderstelling, maar juist die andere tien hebben zich vergist. In de Latijnse bron gaat het namelijk om `tres dentes'. Gifslangen hebben twee giftanden, waarachter reservetanden klaar staan. Van der Voort denkt dat iemand ooit een slang heeft gevonden waar naast de giftanden al een reservetand zichtbaar was, waardoor wetenschappers eeuwenlang dachten dat een slang drie giftanden had.

``Ik werd gegrepen door de drang de beste versie te vinden'', zegt Van der Voort. ``En mijn nieuwsgierigheid naar slangen gaf steeds dat duwtje om door te gaan met het gepuzzel met middeleeuwse handschriften.''

M. van der Voort: Dat seste boec van serpenten. Uitgeverij Verloren, Hilversum 2001, 34,10 euro. ISBN 90-6550-646-2