Voorwaarts mannen. En houd de benen bij elkaar

Het geschiedde in die winter dat de rode buitensnavels van de scholeksters die weinig talent hebben om voor de vorstgrens uit te vluchten afvroren. Ik raapte de kleinodiën op, draaide de nek van de in versuffing verkerende eigenaars om, zes keer naar links en zes keer naar rechts. Een over de kade van de IJmuidense zeehaven voorbijfietsend meisje riep hard en hatelijk: ,,Dierenbeul.''

Tussen de schotsen dobberde een parelduiker, naar het zuiden afgedaalde arctische zeldzaamheid.

,,Lijkt me een Groenlandse'', sprak een door een telescoop loerende vogelaar. De duiker dook, kwam boven met een zilvervisje en deed vertwijfelde pogingen het door te slikken.

,,Olie'', zei ik, ,,verbrande slokdarm, het dier sterft de hongerdood.''

,,Blijft een mooi beestje'', sprak de telescopist. Toen klonk Für Elise.

,,Waar?.. Zuidpier?.. Ik kom. En bedankt.''

Voorzien van gsm's, oorwarmers, bontmutsen, gewatteerde jacks, sneeuwlaarzen, een staalkaart van de winteruitrusting van onze duurdere buitensportzaken, optieken van uitsluitend bekende Duitse en Japanse fabrikanten op statieven die een fikse kalasjnikov zouden kunnen dragen, zich in de handen slaand, hield zich zwijgend in het midden van de pier een dicht opeengedrongen groep jonge en middelbare mannen op.

,,Eh?'' zei ik.

Ik kreeg geen antwoord, noteerde dat alle koppen in noordoostelijke richting keken alsof men op het wonder van Fatima wachtte dat moest concretiseren op de menierode wand van een behoedzaam langsvarende containerreus en alleen de bebaarde patriarch van onze Nederlandse vogelaars, Arnoud van den Berg, speurde onbevangen rond.

,,Daar vloog hij'', werd mij ten slotte toevertrouwd.

,,Achter je!'', riep Arnoud.

De ivoormeeuw, laag op de pootjes, lijkt in postuur en grootte op een ivoren tortelduifje. Een schat die ik alleen kende van filmbeelden van in ijszeeën ronddrijvende walviskadavers waar ze op rusten en in pikken. Op ongeveer zeventig meter van ons af zat zo'n kleine op het stuifzand naast de pier. Kopje naar linksboven, kopje naar rechtsboven, speurend naar gevaar uit de lucht.

Het bataljon ontkoppelde de statiefkopklemmen, zwaaide als één man de kijkpijpen 180 graden om, fotosluiters klikten, een videocamera zoemde, aantekenboekjes werden uit de weerbarstige buitenkledij gewrongen, een gefluisterd `Jezus' hoorde ik en iemand nam het woord.

,,Hebben we hem allemaal goed gezien? Ik zou het nou even willen organiseren, want hij is mak genoeg, maar als we er nou met z'n allen op afgaan, heb je kans dat ie verdwijnt en daarom stel ik nou voor dat alleen mensen die foto's van hem willen maken op hem afgaan, een man of acht zou ik zeggen, en de rest blijft hier dus heel rustig wachten en daarna kan een volgende groep op hem afgaan.''

Tijdens deze briefing vloog de ivoorwitte op en zette zich op 55 meter afstand van ons.

,,Als je nou even rustig je hand opsteekt, weet ik wie er mee wil.''

Toen klonk Mozart nummer 100.

,,Waar?.. Putten bij Petten?.. Echt een Amerikaanse?.. Ja, bedankt.''

De cohorte rende met zwaaiende statieven af, meeuwtje wit schrok, zeilde een boogje over onze hoofden, zette zich op 34 meter van ons op het zand. De leider monsterde de vijf resterende mannen.

,,Langzaam op hem af'', sprak hij, ,,in de groep blijven, benen bij elkaar houden dan schrikt-ie niet. Voorwaarts.''

Met de zon achter ons, schuifelend om Hem niet de indruk te geven dat het licht voortdurend aan- en uitknipte, naderden we tot negen meter. Keurige foto's werden het.