Verlangen naar een anker

Nu de euro is ingevoerd, rijst de vraag of de `Euro-mens' bestaat. Als de Europese identiteit ergens te vinden is, dan is het in Brussel. Bijna 10.000 kinderen, wier ouders werken bij Europese en internationale instellingen, bezoeken er een van de drie Europese scholen.

`Ik wil zo graag eens ergens bij horen!'

`In het land van mijn vader ben ik een vreemdeling. In het land van mijn moeder ben ik een vreemdeling. En in België ook''. Een van de weinige plekken waar Rosa niet aan haar wortelloosheid wordt herinnerd is café Loplop in Brussel. In dit bruine toeristencafé in het centrum, waar je zo ongeveer alle nationaliteiten vindt behalve de Belgische (met de barman als uitzondering), zit het vol met mensen zoals zij. Rosa's moeder is Française, haar vader een Duitser. Ze werken allebei bij de Europese Commissie. Zo hebben ze elkaar ontmoet, in Brussel.

Rosa is zestien. Ze werd in Brussel geboren en heeft nooit ergens anders gewoond. Maar Belgen kent ze eigenlijk niet. Ze gaat naar de Europese School, die in de jaren vijftig speciaal is opgericht voor kinderen van de fonctionnaires européens. Vier op de vijf leerlingen hebben ouders die bij de Commissie werken van de anderen zijn de vaders en moeders diplomaat of journalist of ze werken bij de NAVO of een van de vele buitenlandse bedrijven, lobbyfirma's of advocatenkantoren die een stad met zoveel internationale instellingen aantrekt. ,,Als ze mij vragen waar ik vandaan kom'', roept Rosa boven de blues van John Lee Hooker uit, en ze bestelt aan de L-vormige zinken bar van Loplop nog een cola, ,,dan weet ik niet wat ik moet antwoorden. `Van Brussel', zeg ik meestal, om ervan af te zijn''.

Bestaat er zoiets als een Europese identiteit?

Als het antwoord op die vraag érgens te vinden is, dan is het in Brussel.

Brussel is de hoofdstad van Europa. Van de bijna 1 miljoen inwoners in het Brusselse gewest heeft dertig procent niet de Belgische nationaliteit: van de rest komt grofweg de helft uit de Europese Unie, de andere helft van buiten de EU. In Brussel staan de meeste kantoren van de Europese Commissie, hier zetelen het Europees parlement en de Europese Raad, in deze stad werken tienduizenden mensen sommigen al decennialang – aan de Europese integratie. De politieke idealen van het eerste uur, `nooit meer oorlog', mogen velen niet meer zo helder voor ogen staan als destijds de stichters van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, maar economisch gezien gaat de integratie voort: sinds dinsdag betalen de meeste burgers in de Europese Unie met de euro.

Alleen al bij de Commissie werken bijna 20.000 ambtenaren aan dit soort projecten. Spanjaarden, Italianen, Oostenrijkers: ze gaan dagelijks met elkaar om. Ze delen vaak ook een sociaal leven. In een subcultuur van misschien wel 100.000 Euro-expats lopen genoeg interessante mensen rond. Deels is het ook noodgedwongen, want veel contact met Belgen hebben de meesten niet. Zíj, de volwassenen, kunnen meestal nog zeggen uit welk land ze komen. ,,Al woon je dertig jaar in Brussel, als je ouders Nederlands zijn, je familie in Nederland woont en de taal en cultuur je met de paplepel zijn ingegoten, blijf je Nederlander'', zegt een Europees ambtenaar na twaalf jaar Brussel. ,,Voor onze kinderen geldt dat niet altijd meer.''

Van het aantal gemengde huwelijken onder de ambtenaren houdt de Commissie geen statistieken bij. De bijna 10.000 kinderen op de drie Europese scholen in Brussel (er zijn er nog zeven elders in de Unie) vormen wel een graadmeter. Zo krijgen de leerlingen er vanaf hun dertiende geschiedenis in een andere taal. Toen geschiedenisleraar Farrar (zelf getrouwd met een Française) laatst in een klas vroeg wie er ouders uit twee verschillende landen had, staken acht van de negentien leerlingen hun hand omhoog. Een collega van Farrar deed in een van zijn ethiek-klassen hetzelfde – en daar gingen de handen van tien van de achttien kinderen de lucht in. Tijdens een ander lesuur ethiek waren het er negen van de achttien.

,,Het aantal kinderen van gemengde huwelijken stijgt'', zegt een decaan van de Europese school. ,,Vroeger hadden we de ouders in de klas, nu komen hun kinderen hier. De kleintjes volgen bijna alle lessen in hun `eerste taal', de moedertaal. Ouders hebben steeds meer moeite om te beslissen welke taal dat is: thuis worden verschillende talen gesproken. Als de kinderen groter worden, krijgen ze meer lessen in een tweede en derde taal, en zitten ze met allerlei nationaliteiten in de klas. Na school rijden ze paard of hockeyen ze met elkaar. Als er echte Europeanen bestaan, dan zijn zíj het''.

Maar als je die kinderen ernaar vraagt, dan zeggen de meesten dat ze zich geen Europeanen voelen. ,,Ik vind het leuk om in de Europese bubble in Brussel te zitten'', zegt Catheline (17), die half-Portugees, half-Frans is. ,,Ik bedoel, allemaal mensen zoals ik. Waar vind je er zoveel op dezelfde plek? Maar Europees voel ik me niet. Dat zegt me niks. Ik voel me eerder Portugees. Hoewel: daar ben ik toch een toerist, want ik kom er alleen op vakantie''. Zij en haar klasgenoten met wie ze vanmorgen ethiek heeft hebben stoelen in een kring gezet om over `identiteit' te praten. Dat gaat niet van harte. Ze zitten, zei een ouder vooraf, in een moeilijke fase. Volgend jaar gaan ze studeren, en dan speelt niet alleen de vraag wát dan, maar vooral ook wáár. In het land van hun vader, van hun moeder, in Brussel of in Engeland, zoals steeds meer van hen doen? ,,Ze moeten voor het eerst kiezen tussen invloeden en culturen.''

Het Amerikaanse blad Time had dit voorjaar een rozig omslagartikel over `de nieuwe Europeanen', jongeren die hun talen spreken, die overal kunnen wonen en werken en voor wie grenzen en nationaliteiten er niet toe lijken te doen. Maar de zorgeloze teneur van dat artikel staat bijna haaks op de sentimenten in deze klas. Velen zien hun gemengde achtergrond als last én als lust. ,,Wij zijn hyper-kosmopolitisch'', vindt Vincent, ook van gemengde ouders, ,,maar dat gedijt alleen maar hier. Buiten die vertrouwde kring in Brussel voel ik me nergens thuis. We hebben zelfs onze eigen bars hier, zoals Loplop en Flanagan's. In bars waar Belgen komen voel ik me niet op mijn gemak''.

,,Ik zit tussen twee culturen'', zegt een meisje dat naast hem zit. ,,Ik wil graag kiezen, want nu word ik nergens geaccepteerd. Maar het lukt niet.''

,,Dan kies je toch niet?'', suggereert Vincent.

,,En dan mijn hele leven in het Europese getto van Brussel blijven zeker?!'', roept het meisje verschrikt. ,,Ik wil zo graag eens ergens bij horen!''

,,Ik voel me wel Europees'', zegt een Frans-Deense. ,,Maar waarom weet ik niet.'' Zij oogst geen bijval, en doet er verder het zwijgen toe.

Twaalf procent van de leerlingen op de Brusselse scholen is niet-Belgisch; vaak werken hun ouders voor de Commissie. Toch hebben maar weinig niet-Belgische scholieren Belgische vrienden. En op wat toeristische attracties na, die ze met hun ouders hebben bezocht, weten de meesten ook niets van het land waar ze soms hun leven lang gewoond hebben. Thuis of op school lezen ze zelden Belgische kranten. ,,We zijn rijk, wonen in grote huizen, de Belgen verwijten het ons dat monumenten in Brussel zijn afgebroken en vervangen door betonnen flats. Belgen vinden ons uitvreters. Voor ons verdubbelen ze de huur'', zegt Valérie, half-Italiaans, half-Frans, die vroeger op het Franse lyceum in Brussel zat maar zich daar `te anders' voelde. Haar vader had ooit een Euro-nummerbord op zijn auto: wit met in blauw de letters `EUR' en vier cijfers erop, waarin nogal wat functionarissen van de Commissie rondrijden. Hoewel het officieel een Belgisch nummerbord is, zal geen `echte' Belg ermee rondrijden die heeft rode letters en cijfers. Zo'n tien jaar geleden liep de anti-Europese animositeit in Brussel zo hoog op, dat Belgen banden van auto's met Euro-nummerplaten doorsneden of met sleutels over de motorkap krasten.

Op een steen bij een van de Europese scholen in Brussel staat een uitspraak gegraveerd van Jean Monnet, een van de grondleggers van het verenigd Europa. De tekst slaat op de leerlingen: `Terwijl zij liefde en trots voor hun eigen landen blijven koesteren, zullen zij in de geest Europeanen worden, opgeleid om het werk van hun vaders af te maken en te bestendigen: de totstandkoming van een verenigd en voorspoedig Europa.'

Op het goed onderhouden speelplein spelen kleine kinderen in alle talen krijgertje. Op muurtjes eromheen smoezen wat oudere meisjes met lang haar en spijkerbroeken in het Deens, Duits of Iers over jongens met kort haar en spijkerbroeken. Als een ander meisje zich bij de groep voegt, schakelen ze moeiteloos over naar een andere taal.

Het oogt prachtig, zegt leraar François Wathelet, ,,en dat is het ook. Tenminste, zolang de schooltijd duurt.'' Hij is zelf oud-leerling. Zijn vader, die bij de Commissie werkte, is een Franstalige Belg, zijn moeder Nederlandse. ,,Pas als je gaat studeren, besef je dat deze school geen Europese burgers opleidt, maar mensen met een potentiële handicap.''

Hoewel de school een soort middenschool is (één systeem voor slimme en minder slimme kinderen), zeggen oud-leerlingen dat het niveau er zo hoog is dat ze de eerste jaren op de universiteit weinig hoeven uit te voeren. Veel kinderen hebben hoogopgeleide ouders, en krijgen prestatiezucht en ambitie van huis mee. Wie het eindexamen haalt – het Europese `baccalaureaat' – stoomt moeiteloos door naar welke Europese universiteit ook, zo blijkt uit onderzoek dat Wathelet deed naar het lot van oud-leerlingen. De meesten komen later goed terecht, in prestigieuze banen één op de tien bij de Europese Commissie, just like daddy. Maar veel oud-leerlingen kennen er ook die er aan onderdoor zijn gegaan, en vertellen verhalen over heroïnedoden, ,,een totaal verlopen jongen die kranten verkoopt in de bioscoop'' of een type dat ,,al jaren gitaar speelt met een vriend''.

Sociaal betalen sommigen een hoge prijs, beaamt Ivan Derivière. Hij begeleidt leerlingen die studieadvies willen of problemen hebben. ,,Velen nemen te veel hooi op hun vork. Ze spelen cello, rijden paard, doen rugby, ballet, god weet wat. Alles moet perfect. Ze moeten altijd maar presteren.'' Daarbij komt, zegt Derivière, dat de ouders lange dagen maken op hun werk, en er thuis dus niemand is. ,,Veel kinderen blijven dus op school hangen tot het hek dichtgaat.'' Een collega van hem merkt op: ,,Deze kinderen hebben hun wortels niet in een land, maar in een school, lijkt het wel.''

In een nogal monomane subcultuur als deze, waar veel ouders bij de Commissie werken, hangen rangen en standen soms als een slagschaduw over het schoolplein. ,,Mijn zoon'', vertelt een topfunctionaris bij de Commissie, ,,vroeg op een dag: `Pap, is meneer Zo-en-zo een A-4 of een A-3?' Ofwel, welke rang heeft hij bij de Commissie? Ik zei: `Waarom wil je dat weten?' Zegt hij: `Nou, zijn zoon loopt te pochen dat zijn vader zo belangrijk is bij de Commissie, en ik wil hem inpeperen dat jij veel belangrijker bent'.'' Hij stuurde zijn zoon meteen naar een Belgische school. ,,Ik wil niet dat hij een opschepper wordt.''

Malene Larsen, een leerlinge van 16, vertelt dat een nieuweling in de klas meteen de vraag krijgt: wat doet je vader? Toen Malenes ouders scheidden – ze werken beiden bij de Commissie – woonde ze een tijdje bij haar vader. ,,Die heeft meer geld dan mijn moeder. Toen ik een nieuwe saxofoon nodig had, zei hij: koop maar de duurste. Zesduizend gulden! Ik hoefde niet eens mee te betalen van mijn zakgeld. Nu ik bij mijn moeder woon, heb ik minder aanzien in de klas.''

Vervolg op pagina Z2 (22)

Verlangen naar een anker

Vervolg van pagina Z1 (21)

Malene, een gevoelig kind dat er even ontevreden uitziet als ze is, associeert `Europees zijn' met geld uitgeven, huizen-met-zwembad en ,,openstaan voor anderen, als die tenminste ook geld hebben''. Zij vindt de `Euro-kids', zoals ze weleens genoemd worden, verwend: ,,Ze praten over hun gsm, laten zich overal heenrijden door pappie. Ze willen dokter worden of advocaat en zijn niet nieuwsgierig hoe de wereld in elkaar zit.'' Met de veelgeroemde mix van talen en culturen valt het volgens haar ook wel mee. In de kantine, waar leerlingen halve pizza's en bananen eten (geserveerd door vrouwen van Marokkaanse afkomst), wijst Malene ze zo aan: ,,Aan die lange tafel achter de pilaar zitten de Italianen. De tafel ernaast zijn bijna allemaal Duitsers.''

Malene is eenzaam, zegt ze. Ze stort zich op haar sax. Ze wil naar het conservatorium in Kopenhagen. Ze is Deens, en voelt dat elke dag méér. Maar of ze in Denemarken zal aarden weet ze niet. ,,In de ogen van de Denen ben ik óók een Euro-kid. Maar ik wil niet, zoals vele anderen, in Brussel blijven hangen omdat ik in eigen land niet meer pas. Ik ben een beetje bang voor de toekomst.''

Malene is vergeleken met andere leerlingen erg somber. Misschien zijn familie-omstandigheden en de puberteit daar deels debet aan. Toch, denkt leraar en oud-leerling François Wathelet, was de schooltijd voor `Euro-kids' vroeger inderdaad leuker dan nu. Er waren minder leerlingen uit minder landen, de groepen waren kleiner. Er heerste meer saamhorigheid. Daarbij: in zijn tijd, in de jaren zeventig, hadden veel ouders een andere houding ten aanzien van Europa. De school was toen al te groot geworden voor het jaarlijkse kerstfeest bij de voorzitter van de Europese Commissie thuis, maar er was nog een pioniersgevoel, ,,een Europese spirit, een gevoel van: let's make the world a better place''. Tegenwoordig is `Europa' voor de meesten meer een institutie dan een filosofie. ,,Veel functionarissen zitten er nu voor het geld. Ik zeg niet dat ze geen goed werk doen, maar het ideaal is verwaterd. Sommigen klagen daarover en willen weg, maar ze zitten gevangen: ze hebben gezinnen, een hypotheek, een prettig leven. Dit is maar één van de vele symptomen van de politieke crisis in de Europese Unie, waarbij elk land vooral zijn eigen belangen verdedigt zonder aan het gemeenschappelijk belang te denken.'' Als er weinig of geen visie meer achter Europa zit, betekent `Europees zijn' ook weinig meer. De Europese kinderen in Brussel, zegt Wathelet, beginnen daarmee op de tweede generatie Marokkanen in Brussel te lijken: vacanciers in Marokko, migranten met een identiteitsprobleem in België.

Agnès Deshormes, een oud-leerling van de generatie van Wathelet, herkent zichzelf niet in de verhalen van de leerlingen van nu. Hun queeste naar een identiteit is haar vreemd: haar vader was Belg, haar moeder is Italiaans, zij voelt zich Europees. Anders dan Wathelet heeft zij dit soort problemen ook ná haar schooltijd nooit gehad. Het kan Deshormes, een consultant die de hele wereld bereist en na zeven jaar New York in Parijs woont met een Fransman, ,,niet schelen waar ik thuishoor. Mijn moedermelk was Europees. Mijn ouders werkten voor het Europese ideaal, net als die van mijn vrienden. Zo kweek je een mentaliteit, een atmosfeer.'' Toen zij op de Europese school zat, telde de Unie zes landen. Wie waar vandaan kwam vergat je snel: het deed er niet toe. Deshormes heeft veel vrienden overgehouden aan haar schooltijd, van wie velen later met haar gingen studeren aan de ULB, de Université Libre de Bruxelles. Eentje, een Frans-Belgische zakenman, woont in Moskou en is getrouwd met een Française. Een ander, een Schot, werkt in Bologna en is getrouwd met een Congolese. ,,We zitten overal over de wereld; geen van ons vraagt zich bij mijn weten ooit af waar hij thuishoort of niet.''

Volgens Wathelet en Deshormes stelden hun ouders zich de vraag niet welke identiteit hun kinderen moesten hebben: ze gingen naar de Europese school, dat lag in het verlengde van hun idealen. Nu is dat wel anders. Tijdens etentjes in het Brusselse `Euro-circuit' discussiëren mensen met kinderen veel over de vraag welke school de beste is. Zo somde een Griekse, getrouwd met een Deen, laatst de dilemma's van haar tienjarige zoontje op: ,,Hij is geen Griek en geen Deen, dat blijkt tijdens de vakanties. We spreken thuis Engels maar in de Engelse taalgroep mochten we hem van de Europese school niet plaatsen.'' De jongen gaat nu naar de internationale school waar iedereen in één taal hetzelfde curriculum doorloopt.

Europa, dat blijkt wel, is meer `nurture' dan `nature'. Voor Nederlandse of Italiaanse diplomatenkinderen, die na een paar jaar weer naar eigen land teruggaan, is dat maar goed ook. Maar wat blijft voor de steeds grotere groep stayers van gemengde afkomst is een Brusselse subcultuur vol jongeren die zich niet Europees voelen, maar daar wel codes van meekrijgen. Zo leggen ze snel contact. Ze zijn verbaal begaafd, want ze worden van jongs af aan gestimuleerd om hun mond open te doen in talen die ze niet perfect beheersen. En ze identificeren zich sterk met minderheden. Ze weten wat het is om als enige Duitser in een geschiedenisles te zitten waar een Franse leraar de Anschluss behandelt: je houdt je mond en luistert. Op de Europese school is iedereen een minderheid.

Deshormes zegt: ,,Ik heb geleerd om tolerant te zijn, ik zal nooit een categorie mensen bekritiseren.'' Bij haar thuis kom je Argentijnen tegen, Kaapverdianen en Libanezen. Wathelet heeft een Roemeense vriendin. Ook de zoon van leraar John Bulwer, die sinds zijn eindexamen op de Europese school in Londen woont, heeft veel vrienden met een `etnische' achtergrond. ,,Hij is Brits, maar ook weer niet'', constateert Bulwer, die veel publiceerde over de invloed van de school op de houding van de kinderen. ,,Veel van zijn vrienden zijn migranten met een Brits paspoort, zoals Pakistanen. Van `pure' Britten krijgt hij het benauwd.'' Bulwer kent veel oud-leerlingen die, op zoek naar houvast, een lange zoektocht ondernemen naar hun wortels. Ze reizen soms de halve wereld af in de hoop om een `thuis' te vinden. ,,Ze zijn rusteloos. Tot ze accepteren dat ze eigenlijk niets zijn, nergens horen, en het best tot hun recht komen te midden van mensen zoals zijzelf.''

De 16-jarige Rosa heeft dat instinctief allang begrepen. Ze gaat elke vrijdag naar Loplop met haar schoolvrienden. Het is grappig om te zien met hoeveel gratie ze hier in goed Engels een dronken Arabische Amerikaan afwimpelt die met een Britse tabloid-krant zwaait en roept: ,,Hey man, ik heb niks met die Bin Laden te maken, no way!'' Haar neven en nichten in Duitsland en Frankrijk, vertelt ze, zijn bang voor migranten, omdat ze die niet kunnen plaatsen. Zij voelt eerder een vage verwantschap met ze. Wat háár juist beangstigt, vertelt ze, terwijl ze zich naar de deur van het café wurmt, is dat ze zich daar steeds meer van bewust is. ,,Ik besef steeds meer wat voor buitenbeentje ik ben, en ga me dus afvragen of er ergens een plek in de wereld is waar ik dat níet ben. Ik ben soms jaloers op mensen die een vaderland hebben. Voor hun is het makkelijker om kosmopoliet te zijn: als het hun niet bevalt om overal en nergens te wonen en om te gaan met allerlei nationaliteiten, hebben zij iets om op terug te vallen. Ik niet.''

Rosa's vader staat al op de stoep voor Loplop geparkeerd, en houdt het portier open. Rosa zwaait nog even.

Dan rijdt de Range Rover weg, mét Euro-nummerplaat.