Van Gijzel is een domoor

Het voormalige CDA-Tweede-Kamerlid (1983-1994) Ton de Kok heeft in het Zaterdags Bijvoegsel van 8 december een alleszins lezenswaardige beschouwing gewijd aan de verhouding van fractiediscipline en parlementaire democratie. Daarbij gaat hij met name in op de figuur van het Tweede-Kamerlid, dat met zijn standpunt in botsing komt met het algemene fractiestandpunt en daardoor het predikaat `dissident' krijgt opgeplakt, zo hem al niet het verder uitoefenen van zijn functie als volksvertegenwoordiger onmogelijk wordt gemaakt. Als voorbeelden noemt hij bij het CDA De Milliano en het duo Scholten en Dijkman en bij de PvdA Van Zuylen en Van Gijzel.

Het is jammer dat De Kok in zijn paginagroot artikel niet ook ingaat op de betekenis en waarde van een eensgezind fractieoptreden voor de besluitvorming. Daar is niet alleen maar iets negatiefs over te zeggen. Wie ervoor kiest om met anderen een plaats op een gemeenschappelijke kandidatenlijst te ambiëren en te aanvaarden, aanvaardt daarmee ook een morele verplichting. Hij moet, zoveel als in zijn vermogen ligt, het beleid beïnvloeden in de richting van het partijprogramma.

Men kan steekhoudende bezwaren tegen dit systeem aanvoeren, maar wie zich eenmaal daarin heeft gevoegd, kan zich niet al te lichtvaardig aan de consequenties ervan onttrekken. Gekozen worden met anderen op een gemeenschappelijke kandidatenlijst en met een gemeenschappelijk program kan niet na de verkiezingen gehanteerd worden als een vrijbrief om naar eigen inzicht los van de rest van de fractie te opereren. Het betoog van De Kok zou aan evenwicht hebben gewonnen als hij ook op dit aspect nader was ingegaan.

Dit sluit niet uit dat er zich omstandigheden kunnen voordoen waarbij een Kamerlid, wil hij niet zichzelf verloochenen, geen andere uitweg ziet dan bij de beslissende stemming een andere keus te maken dan de overige leden van zijn fractie en daarvan ook rekenschap af te leggen. Met name zal dit het geval kunnen zijn als hij zich voor zijn standpunt op goede gronden kan beroepen op het verkiezingsprogram. Zoals ik als lid van het CDA-partijbestuur van nabij heb meegemaakt was dit het geval in het conflict binnen de CDA-fractie met Scholten-Dijkman. Het frustrerende toen was dat er over dat beroep op het partijprogram helemaal geen discussie mogelijk was. Men vond Scholten gewoon een lastpost en vond dat het nu maar eens afgelopen moest zijn. Hij moest zich nu maar schikken, anders kon hij maar beter vertrekken.

Nee, alle `dissidenten' kunnen niet over één kam worden geschoren. Het geval-Van Zuylen, waarbij persoonlijke carrièremotieven domineerden, lag anders dan dat van Scholten-Dijkman en bij Van Gijzel lag het weer anders. De Kok maakt het zich dan ook al te gemakkelijk als hij het geval-Van Gijzel ,,de zoveelste uiting van een verstikte politieke discussie'' en een voorbeeld van ,,fractiediscipline, geportretteerd als een vorm van partijpolitieke inperking van het recht op vrije meningsuiting van fractieleden'' noemt. Het is bepaald niet mijn bedoeling aan een Kamerlid het recht en onder omstandigheden zelfs de morele plicht te ontzeggen een van zijn fractie afwijkend standpunt in te nemen, maar dit vereist wel een motivering.

Het bijzondere van het geval-Van Gijzel is dat hij niet zomaar een van de fractie afwijkend standpunt had, maar dat hij bij het desbetreffende onderwerp (de fraude bij de Schipholtunnelbouw) woordvoerder van de fractie was. Hij voerde niet (alleen) namens zichzelf het woord, hij was woordvoerder namens de gehele fractie. Toen hij in de slotfase van het debat een ander standpunt wenste in te nemen dan de fractie namens welke hij het woord voerde, was daarmee de basis aan zijn woordvoerderschap ontvallen. Uiterlijk op dat moment had hij zelf die consequentie moeten trekken en het woordvoerderschap moeten neerleggen. Het moet hem worden aangerekend dat hij zijn fractievoorzitter in een situatie bracht waarin deze geen andere keus had dan het initiatief te nemen hem van het woordvoerderschap te ontheffen en dit alsnog aan een ander fractielid over te dragen.

Wat Melkert zou kunnen worden verweten is niet dat hij Van Gijzel van het woordvoerderschap heeft ontheven, maar dat hij dit al niet van de aanvang af ter discussie heeft gesteld. Bij het debat over de Bijlmerramp had zich de situatie namelijk al eerder voorgedaan dat Van Gijzel als woordvoerder van de fractie optrad en in de slotfase bij de eindstemming een van zijn fractie afwijkend stemgedrag vertoonde. Melkert had vóór het debat over de Schipholzaak waarborgen moeten inbouwen dat de situatie van het Bijlmerdebat zich niet zou herhalen. In plaats van zich te beklagen dat de fractie zich niet aan zijn afwijkend standpunt heeft geconformeerd in plaats van andersom, had Van Gijzel alle reden de fractie en haar voorzitter erkentelijk te zijn dat zij hem ondanks de eerdere ervaringen ook ditmaal weer het woordvoerderschap heeft gelaten.

Als iemand beseft moet hebben dat hij daarmee zichzelf en de fractie opnieuw in de situatie van het Bijlmerdebat zou kunnen brengen, dan is het Van Gijzel zelf. Als woordvoerder uit de boot vallen kan eigenlijk al niet, maar zich een tweede keer in zo'n situatie begeven wijst op een gebrek aan politiek inzicht of een gebrek aan loyaliteit. De schade daarvan lijdt niet Van Gijzel; niemand had hem kunnen beletten naar eigen inzicht te stemmen en niemand verplichtte hem als Kamerlid te bedanken. Daarentegen heeft hij in het zicht van de verkiezingen wel grote schade toegebracht aan zijn partij en haar lijsttrekker.

De moraal van het verhaal: de ene `dissident' is de andere niet.

Willem Aantjes was fractievoorzitter in de Tweede Kamer (1971-1978) voor achtereenvolgens de ARP en het CDA