Seculiere cultuur is geen alternatief

`Alleen oecumenisch humanisme brengt licht', betoogde Paul Cliteur op de opiniepagina van 22 december. Rico Sneller meent dat Cliteur misbruik maakt van reeksen in het oog vallende `religieuze' escalaties, met elf september als dramatisch dieptepunt. N.H.M. Roos kent het begrip oecumenisch humanisme niet. Paul van Velthoven gelooft niet in een seculiere cultuur. En Henk Vroom keert zich tegen een beperking van de vrijheid van godsdienst. Ook ingezonden brievenschrijvers plaatsen kanttekeningen.

In zijn artikel `Alleen oecumenisch humanisme brengt licht' doet Paul Cliteur een nieuwe poging ons een fundament te bezorgen voor een moraal zonder een religieuze grondslag. De oud-voorzitter van het Humanistisch Verbond maakt dankbaar gebruik van het gegeven dat de religie in haar algemeenheid in de verlichte, salonfähige kringen in onze samenleving na het gebeuren van 11 september meer dan ooit in diskrediet is geraakt.

Toch ligt het meer voor de hand de gebeurtenissen van 11 september op een andere wijze te interpreteren dan Cliteur doet. We zouden ons namelijk moeten verbazen over de overweldigende kracht die religieuze voorstellingen en idealen – die op de elfde september tot uiting kwamen in een abjecte vorm – hebben buiten ons geografisch gezien beperkte gebied waar de seculiere moraal van het westen dominant is.

Cliteur probeert de christelijke moraal op kunstmatige wijze te onderscheiden van de humanistische. Hij laat een aantal prominente Europese figuren als Montaigne en Kant opdraven – Erasmus ontbreekt dit keer – in de antitheïstische strevingen van een kleine organisatie als het Humanistisch Verbond.

Echter, het beroep op deze denkers komt mij voor als een indirect eerbewijs aan de christelijke matrix van de cultuur waarin deze figuren hebben gefunctioneerd. Zonder christendom zijn ze namelijk niet voorstelbaar. Met de humanisten à la Cliteur hebben zij inderdaad het woord `humanisme' gemeen. Dit laat op zijn minst zien dat deze adjectiva, christelijk en humanistisch, historisch gezien, niet van elkaar te scheiden zijn. De morele bekommernissen van de meeste gevestigde christelijke kerken onderscheiden zich namelijk niet wezenlijk van die van humanisten à la Cliteur.

Het zal ook wel niet voor niets zijn dat voor wat de geestelijke voorvaderen van Cliteurs humanisme betreft deze nog een andere figuur ten tonele voert, namelijk Socrates. Wij kennen Socrates alleen uit het werk van Plato. En de eerste vindt in zijn afwijzing van het ethisch verwarrende veelgodendom (waarover Cliteur de staf breekt) een trouwe echo in de laatste. De filosofische opvattingen in hun dialogen werden grosso modo dan ook als een voorafschaduwing gezien van de komende christelijke kerk, zodat Plato door diezelfde kerk kon worden geadopteerd dan wel geannexeerd en wel in die mate dat sommigen in Plato een heilige avant la lettre zien.

In plaats van een achterhaald beeld te schetsen van religies in het algemeen, is het goed te wijzen op de enorme krachtbron die de religies bevatten en die in positieve zin te benutten. Nemen we, of we nu gelovig zijn of niet, de onze, de christelijke, met haar enorme reservoir aan artistieke verbeeldingen, haar meestal nog steeds toereikende ethiek en haar vaak belangeloze, soms ook onverschrokken caritas. Hier treffen we de vruchten van een religieus geïnspireerd humanisme aan. Een louter rationalistische, seculiere cultuur, hoe vergevorderd hier en daar ook, zal, als zij al ooit als ideaaltype te realiseren valt, het daar tegen nooit kunnen opnemen. Mijn belangrijkste bezwaar tegen Cliteurs betoog is dat hij een valse tegenstelling creëert. De humanistische moraal is goeddeels ook de christelijke. Wij hebben niets beters voorhanden.

Paul van Velthoven is journalist.