Ridders van de kalief

Wie denkt dat Al-Qaeda in Afghanistan is uitgeroeid, heeft het mis. Aanhangers zijn in alle mogelijke gedaanten uitgezwermd over de hele wereld, onherkenbaarder dan ooit.

Op het eerste gezicht gaat er nog maar weinig dreiging uit van Al-Qaeda, het beruchte terreurnetwerk van Osama bin Laden. Dat is op de vlucht, opgejaagd door vijandige Afghaanse strijders en weggebombardeerd uit het grottencomplex Tora Bora door Amerikaanse vliegtuigen. Maar schijn bedriegt.

Afghanistan is na de val van de Talibaan voorlopig geen uitvalsbasis meer voor internationaal moslimterrorisme. Talrijke strijders van Al-Qaeda, in meerderheid Arabieren, zijn de grens met Pakistan overgestoken. Hoeveel aanhangers van Al-Qaeda dat deden is volstrekt onduidelijk, want niemand weet hoeveel er in Afghanistan waren toen de grote Amerikaanse aanval op 7 oktober begon.

Tienduizend? Vijftienduizend? Meer?

De Amerikaanse autoriteiten geven toe dat het gewone voetvolk kan ontkomen. De lange grens met Pakistan is zo lek als een zeef en de jacht op Bin Laden en de leiders van Al-Qaeda heeft prioriteit. Daarom blijft het `zoeken naar vlooien bij een hond', zoals schout-bij-nacht John Stufflebeem het uitdrukte. Hij is adjunct-directeur operaties van de Amerikaanse strijdkrachten en zei: ,,Als je er één ziet en je je daarop concentreert, weet je niet hoeveel anderen er ontsnappen.''

Sommige Al-Qaedastrijders hebben zich een uitweg gekocht bij vijandige stamleden. Een groep Algerijnse aanhangers ontkwam al direct na het begin van de Amerikaanse bombardementen, aldus een Algerijnse regeringskrant. Hoe groot die groep was en wat de regering in Algiers ermee aan wil bleef onvermeld. De krant schatte het aantal Algerijnse strijders van Al-Qaeda in Afghanistan op 2.000 à 3.000. Ook de Saoedische regering heeft aangekondigd zijn staatsburgers onder de Afghaanse Arabieren terug te nemen.

Maar de andere Al-Qaedastrijders, zoals de Egyptenaren, weten dat thuis de gevangenis wacht. Zij zoeken onderdak bij overgebleven Al-Qaedakampen in het Midden-Oosten, Afrika en Azië of bevriende terreurgroepen. De Jemenitische regering, waarmee velen van oudsher goede connecties hebben, gaat daarentegen onder Amerikaanse druk op zoek naar Al-Qaeda. Maar in grote delen van het land heeft de overheid weinig te zeggen. En in de Verenigde Staten en andere westerse landen zitten met het netwerk verbonden cellen ondergedoken die wachten op betere tijden.

Daas zijn in december de laatste overlevenden uit de zwaar bestookte grotten en tunnels van het oost-Afghaanse Tora-Boragebergte tevoorschijn gekropen. Hun Talibaanbeschermheren zijn gedood of overgelopen naar de veilige kant van de overwinnaars, maar die mogelijkheid staat niet open voor de Arabische aanhang van Bin Laden. De Afghanen hebben al lang een hekel aan de Arabieren, al kwamen ze ooit, in de jaren tachtig, naar Afghanistan om te helpen de ongelovige sovjetbezettters te verslaan. Hoogmoedig vonden de Afghanen hen vaak, en eigenlijk niet echt goede vechtersbazen. Nu vernederen de overwinnaars hun gevangenen door hen in tranen, vuil, de handen gebonden, voor het oog van de wereldpers te laten paraderen, desnoods met geweld.

Zij hebben in zekere zin nog geluk. Honderden Arabieren zijn gedood bij de bombardementen van Tora Bora en in gevecht met de strijders van de vroegere oppositie die nu de dienst uitmaken. Zo zijn in november honderden gevangenen omgekomen door Amerikaanse bommen en vermoord door de Oezbeekse strijders van krijgsheer Rashid Dostam in zijn fort bij Mazar-i-Sharif. Dostam sprak van een gevangenisopstand, maar hij heeft een slechte reputatie waar het gevangenen betreft. Duidelijkheid blijft voorlopig uit, want de Amerikaanse regering heeft een onderzoek van de hand gewezen. Vast staat wel dat tientallen zijn gestikt in containers die als gevangenis dienst deden. De Afghanen hebben daar niet veel problemen mee.

Vernederd en vervolgd. Hoe anders was de sfeer in 1980, net na de invasie van Afghanistan door de Sovjet-Unie, toen de basis werd gelegd voor Al-Qaeda. Niet alleen de jonge Saoediër Osama bin Laden en zijn radicale Palestijnse mentor Abdullah Azzam waren zo geschokt door de bezetting van een islamitisch land door ongelovigen dat zij er spoorslags heen reisden om de Afghanen te gaan helpen. De hele islamitische wereld stond op haar achterste benen.

Neem Egypte, dat tot 1976 nog een warme bondgenoot van de Sovjet-Unie was. De Egyptische minister van Defensie, Kamal Hassan Ali, stelde direct na de inval legerkampen beschikbaar voor de training van Afghaanse commando's. Het Egyptische parlement riep jonge Egyptenaren op zich te melden voor de heilige oorlog in Afghanistan. Ook de Azhar-universiteit in Kairo, de meest gezaghebbende stem in de sunnitisch-islamitische wereld, riep op tot hulp aan de Afghaanse mujahedeen, de islamitische vrijheidsstrijders. Vakbonden, de fundamentalistische Moslimbroederschap en rijke weldoeners leverden financiële steun. Duizenden Egyptenaren vertrokken naar de Afghaanse jihad.

Velen van hen reisden via Saoedi-Arabië, waar de autoriteiten jihad-gangers 75 procent korting gaven op vliegtickets naar Afghanistan. In Saoedi-Arabië zelf ronselden agenten tijdens de hadj, de jaarlijkse grote pelgrimstocht naar Mekka, jonge gelovigen overal vandaan voor Afghanistan. Sommigen gingen omdat ze gedesillusioneerd waren over hun eigen regime, anderen zochten avontuur. Politiek minder bevlogen pelgrims werden gelokt met werk voor islamitische hulporganisaties in Afghanistan. Belangrijke recruteringsplek voor strijders was de Islamitische Universiteit van Medina. Daar was het merendeel van de studenten niet-Saoedisch, waardoor er voor hen na de studie weinig ander werk voorhanden was. Wervingscentra voor de strijd in Afghanistan stonden er overigens tot in New York – in de sfeer van de Koude Oorlog spoorde het Amerikaanse Congres de CIA, de strijdkrachten en het State Department voortdurend aan om méér geld en wapens te leveren aan de dappere Afghaanse strijders tegen de boze Sovjet-Unie.

Midden jaren tachtig gaf de Egyptische regering moslim-extremisten die een (bij)rol hadden gespeeld bij de moord op president Sadat (1981) nog officieel toestemming om in Afghanistan te gaan vechten. Omdat de strijd zo heilig was, niet omdat zij hen kwijt wilde: het regime van president Mubarak stond toen nog dubbelhartig tegenover het fundamentalisme en zijn gewapende tak, het moslim-extremisme, dat vocht voor een zuiver islamitische staat. Pas toen de moslim-extremisten van de Jihad en de Gama'a al-Islamiya een paar jaar later een dodelijke bedreiging voor Mubaraks regering waren geworden, begon het regime hen echt in Afghanistan te lozen. Zij kregen de keus: of gedood worden bij een klopjacht door de Egyptische veiligheidsdiensten of vertrekken naar Afghanistan. In 1989, toen de jihad tegen de Sovjet-Unie al gewonnen was, werden 28 moslim-extremisten in Kairo op straat doodgeschoten, en volgde een massavlucht naar Afghanistan. Daarom wordt Bin Ladens terroristisch kader zo gedomineerd door Egyptenaren.

De zeer radicale Jihad-leider dr. Ayman al-Zawahiri, nu door de Amerikanen opgejaagd als de tweede man en ideoloog van Bin Laden, vertrok in 1985 nog met alle officiële steun naar Afghanistan om er als arts bij de mujahedeen te gaan werken.

Marihuana

Een van de recruten van Al-Qaeda was Ahmad al-Fadl, een Soedanees. Fadl leefde een tijd in Saoedi-Arabië, maar kwam daar in moeilijkheden vanwege marihuanagebruik. In 1986 verhuisde hij naar de Verenigde Staten. Daar deed hij los-vast werk voor kruideniers en supermarkten. Uiteindelijk vond hij een warm onthaal in de Farouq-moskee in Brooklyn. Die fungeerde toen als wervingscentrum voor de Afghaanse jihad – een van de talrijke dergelijke bijkantoren van het Mujahedeen Service Bureau dat de Palestijn Azzam aan het begin van de oorlog tegen de Russen in de Pakistaanse grensplaats Peshawar had opgericht. Fadl zamelde voor de moskee geld in voor de jihad in Afghanistan. Maar na korte tijd vertrok hij zelf ook naar Afghanistan, waar hij een militaire opleiding kreeg in Bin Ladens kampen, tegen de Russen vocht, en ten slotte werd gevraagd tot het net gevormde Al-Qaeda toe te treden.

Fadl is een rijke bron van informatie over Al-Qaeda: hij is in 1996 na een financieel conflict met Bin Laden (niets menselijks is terroristen vreemd) naar de FBI gestapt. Tijdens het proces in New York vorig jaar tegen vier verdachten van de aanslagen op de Amerikaanse ambassades in Kenia en Tanzania in 1998 legde hij een gedetailleerde getuigenis af.

Fadl was erbij, zo vertelde hij, toen Bin Laden in 1988 een groep aanhangers zijn toekomstplannen ontvouwde, nu de Russen bijna uit Afghanistan waren verdreven. Bin Laden wilde een groep vormen, zei Fadl, om zich voor te bereiden op ,,een andere slag''. Die slag was gericht tegen de Arabische regeringen, die naar Bin Ladens mening allemaal uit pseudomoslims bestonden. ,,De [Arabische] heersers gebruikten alle middelen en verlokkingen om een generatie van jongeren te produceren die niets wist behalve wat zij [de heersers] wilden'', zo meldt de uit die begintijd stammende `militaire studie in de jihad tegen de tirannen', een soort handboek voor de opleiding van terroristen. ,,Maar een grote groep van deze jongeren is uit zijn slaap wakker geschud en naar God teruggekeerd.'' Uiteindelijk hoopte hij een groot islamitisch rijk tot stand te brengen onder gezag van een kalief, vermoedelijk Bin Laden zelf. Pas toen ongelovige Amerikaanse troepen in het heilige Saoedi-Arabië in 1990 werden gestationeerd, werd Amerika potentieel doelwit.

Dat was het begin van Al-Qaeda, Arabisch voor De Basis. Aanvankelijk was het eerder een strijdmacht dan terreurgroep. In 1990, na de Iraakse invasie in Koeweit, bood Bin Laden de regering van Saoedi-Arabië aan met zijn islamitische vrijwilligers de strijd aan te binden tegen de Iraakse strijdkrachten. Tegelijkertijd wilde hij daarmee voorkomen dat de Saoedische regering steun van Amerikaanse zou vragen. Dat was immers nog veel erger dan de Russische bezetting van Afghanistan, omdat zich in Saoedi-Arabië de heiligste plaatsen van de islam bevinden. Maar de Saoedische regering sloeg het aanbod af en de Amerikaanse troepen kwamen. Door dit besluit werd Bin Laden een terrorist en veranderde Al-Qaeda in een terreurorganisatie.

Prins Turki al-Faisal, tot augustus de Saoedische minister voor de Inlichtingendiensten, regelde in de jaren tachtig de Saoedische financiële bijdrage aan de Afghaanse jihad en heeft Bin Laden vaak ontmoet. Hij zei onlangs in een Saoedisch televisievraaggesprek dat er na dit besluit bij Bin Laden ,,tekenen van verandering in zijn persoonlijkheid begonnen te verschijnen [..] Er is geen twijfel dat de verandering die leidde tot wat nu is gebeurd in dit stadium plaatshad.'' Bin Laden zei het zelf in zijn Oorlogsverklaring aan de Amerikanen die het land van de twee heilige plaatsen bezetten (1996): ,,Het was de nieuwste en grootste uiting van de agressie [van het verbond van zionisten en kruisvaarders] sinds de dood van de profeet.''

Haviken

Na de nederlaag van de Russen in 1989 waren veel Arabische `Afghanen' teruggekeerd naar hun vaderland. Daar sloten ze zich vaak aan bij fundamentalistische oppositiegroepen die via hen kennismaakten met extreem geweld. Neem de Algerijnse Gewapende Islamitische Groep (GIA) en haar niet minder gewelddadige afsplitsingen. De Egyptische regering – en zij was de enige niet – wilde daarom haar `Afghanen' niet terug.

Vele Arabische Afghanen weken uit naar Jemen, waar het regime zijn warme banden met de Afghanistangangers had aangehouden en pensions en nieuwe trainingskampen voor hen oprichtte. Niet voor niets staat Jemen hoog op de verlanglijst van haviken binnen de Amerikaanse regering die de aanvallen op Al-Qaeda ook buiten Afghanistan willen voortzetten. Andere jihadstrijders bleven achter in Afghanistan, waar trainingskampen bleven bestaan.

De hoofdmacht vertrok in 1991 met honderden `Afghanen' naar Soedan, waar in 1989 een fundamentalistisch regime de macht had gegrepen. Bin Ladens geestverwant Hassan Turabi was daar de sterke man. Fadl vertelde tijdens het proces in New York dat zijn medestrijders er graag heen wilden, omdat ze Turabi waardeerden. Omdat hij de koran uit het hoofd heeft geleerd, zei hij, en ,,omdat ze dan dichter bij de Arabische wereld zaten''. De `Afghanen' vonden werk op Bin Ladens (wegen)bouwbedrijven en boerderijen en kregen er een militaire opleiding. Turabi zat er niet mee. Het was de tijd dat in Soedan conferenties werden georganiseerd van allerhande extremistische groepen, die meestal onderling slaags raakten over de prioriteiten van hun gewapende strijd.

Vanuit Soedan werden in 1992 en 1993 de eerste Al-Qaeda-aanslagen georganiseerd tegen de Amerikaanse militaire aanwezigheid in het islamitische Somalië. In 1995 had Bin Laden ook de hand in de mislukte moordaanslag op de door de VS gesteunde `pseudomoslim' Mubarak in Ethiopië. Het leverde Soedan sancties van de Verenigde Naties op, en droeg bij tot het besluit van de regering in Khartoum om afscheid te nemen van Bin Laden en zijn `Afghanen'. De regering wilde hem aan Saoedi-Arabië uitleveren, maar liet hem in 1996 naar Afghanistan terugkeren, met strijders, toen de Saoedische regering weigerde hem terug te nemen.

Volgens de Amerikaanse FBI en de Duitse inlichtingendienst zijn in de loop der jaren – in de jihad-jaren '80 en in de jaren daarna – zeker 70.000 extremisten opgeleid in de verschillende kampen van Al-Qaeda. Dat waren niet alleen officiële leden, die een belofte hadden afgelegd, en aanhangers van terreurgroepen als de Egyptische Jihad en Gama'a al-Islamiya waarmee Al-Qaeda in 1998 was gefuseerd in het Islamitisch Wereldfront voor de Jihad tegen de Joden en de Kruisvaarders. Welkom waren ook bevriende organisaties als de Algerijnse GIA en de gelijkgezinde Salafistische Groep voor Prediking en Verlossing. Naast Arabieren van elke nationaliteit zijn er ook Filippino's, Tsjetsjenen, Bosniërs en Kashmiri's opgeleid.

De recruten zijn getraind in het gebruik van wapens, fabricage van explosieven en gifgas, in moordmethodes, sabotage en stadsguerrilla. Vervolgens werden ze erop uitgestuurd. Zoals de Algerijn Ahmed Ressam. Ressam werd in december 1999 volstrekt bij toeval aangehouden bij zijn poging vanuit Canada de Verenigde Staten binnen te komen. Hij reed in een auto vol explosieven, waarmee hij de luchthaven van Los Angeles wilde opblazen ter gelegenheid van de millenniumviering. In ruil voor strafvermindering heeft hij de Amerikaanse autoriteiten vorig jaar gedetailleerd verteld over het leven in de kampen. Zes maanden had hij daar in 1998 doorgebracht nadat hij door een topmedewerker van Bin Laden, de Palestijn Abu Zubeida, in diens pension in Peshawar was beoordeeld. ,,Hij mag je of hij mag je niet'', vertelde Ressam.

In de kampen, die steeds 50 tot 100 aankomende internationale terroristen herbergden, kregen de pupillen te horen dat ze hun talen moesten spreken en leerden ze in code praten om de westerse inlichtingendiensten op een dwaalspoor te brengen. Het codewoord voor de jihad was `met ballonnen spelen'. De cursisten kregen tips om handig te reizen – niet met een islamitische baard, maar gladgeschoren om geen argwaan te wekken – en een land binnen te komen – nooit het land van je valse pas, want daar word je makkelijker betrapt. Ze leerden hoe ze een doel moesten kiezen en de omgeving verkennen. Dat ze hun kennis binnen hun cel moesten houden.

,,Wanneer je in een groep werkt, moet iedereen alleen weten wat hij verondersteld wordt te doen, niets meer. Jullie moeten plaatsen mijden die verdacht zijn of jullie verdacht maken, zoals moskeeën, en geen kleren dragen die de verdenking op jullie laden'', zo vertelde Ressam over zijn opleiding. In de kampen bleef nationaliteit bij nationaliteit: ook cellen werden bij voorkeur samengesteld uit landgenoten. Daarom kende de Algerijn de vliegtuigkapers van 11 september ook niet. Dat waren in overgrote meerderheid Saoediërs.

Ressam leerde ook in de kampen met chemische wapens te werken: cyanide met zwavelzuur werd op een hond uitgeprobeerd. ,,We wilden weten wat het effect van het gas was'', zei Ressam toen hij afgelopen zomer optrad als getuige à charge in het proces tegen een andere verdachte van de geplande `millenniumaanslag'. De hond stierf. ,,Wat doelen in het algemeen betreft: we spraken over Amerika.''

Ressams uitspraak over Al-Qaeda's pogingen zelf chemische wapens te ontwikkelen werden deze week bevestigd door de inhoud van een computer uit een Al-Qaedahuis in Kabul. Een plunderaar had het apparaat aan een locale winkelier overgedaan die het had verkocht aan een journalist van The Wall Street Journal. Volgens de krant was Ayman al-Zawahiri een frequent gebruiker van de computer. Deze wijst in april 1999 in een memo op het verwoestend vermogen van chemische wapens, ,,niet minder dan dat van kernwapens''. Maar hij klaagt dat ,,wij ons pas daarvan bewust werden toen de vijand onze aandacht op ze vestigde door herhaaldelijk bezorgdheid uit te drukken dat ze eenvoudig kunnen worden geproduceerd''. Een maand later trekt de Al-Qaedatop uiteindelijk enkele duizenden dollars uit om een chemische-wapenprogramma op te starten. In een brief in het computersysteem wordt het werk aan een zenuwgas vervolgens als bijzonder bemoedigend geklassificeerd, aldus The Wall Street Journal.

De Afghaanse Arabieren zijn nu verspreid over de wereld, schrijft Zawahiri in de inleiding van zijn zeer recentelijk naar buiten gesmokkelde boek `Ridders onder het vaandel van de Profeet', waarvan de Arabische krant Al-Sharq al-Awsat vorige maand delen heeft gepubliceerd. ,,Sommigen zijn vluchtelingen, sommigen immigranten, sommigen houden zich schuil, sommigen zijn gevangen, sommigen zijn dood, sommigen dragen wapens om weer een ander islamitisch front te verdedigen en sommigen wanhopen en proberen terug te keren naar een normaal leven, nadat ze kennis hebben genomen van de boosaardigheid van de vijand en de woestheid waarmee deze de islamitische strijders achtervolgt.'' Maar, zo waarschuwt hij Amerika en zijn bondgenoten: ,,de islamitische natie komt elke dag dichter bij haar overwinning op u [..] Uw strijd tegen deze natie is gedoemd te leiden tot een onvermijdelijke nederlaag, en al uw inspanningen zijn niet meer dan een poging om de overwinning van deze natie te vertragen. Zij kunnen haar niet voorkomen.''