Religie mag niet snel van tafel worden geveegd

`Alleen oecumenisch humanisme brengt licht', betoogde Paul Cliteur op de opiniepagina van 22 december. Rico Sneller meent dat Cliteur misbruik maakt van reeksen in het oog vallende `religieuze' escalaties, met elf september als dramatisch dieptepunt. N.H.M. Roos kent het begrip oecumenisch humanisme niet. Paul van Velthoven gelooft niet in een seculiere cultuur. En Henk Vroom keert zich tegen een beperking van de vrijheid van godsdienst. Ook ingezonden brievenschrijvers plaatsen kanttekeningen.

Het was een quasi-kerstboodschap, het artikel van Paul Cliteur. De westerse, mondialiserende cultuur moet volgens hem worden bepaald bij haar humanistische wortels. Socrates, Montaigne, Voltaire, Kant en Russell, en wellicht nog anderen, zouden een wereldbeschouwing hebben uitgedragen die werkelijk humaan is, en die als kenmerk zou hebben dat deze geen obscuur beroep doet op mysterieuze openbaringen en dubieuze goddelijke ingevingen, maar op de menselijke rede. Aldus wakkert Cliteur het smeulend vuurtje aan van een millenniaoud debat over de voorrang van rede boven geloof, oftewel van logos boven mythos.

Nu kent dit debat een hoog- en een laagconjunctuur, al naar gelang de maatschappelijke machtsverhoudingen. Deze verhoudingen lijken de laatste decennia een gunstige wending te hebben genomen voor de verdedigers van het gezonde verstand. Er hangt al maar zwaarder weer boven het hoofd van hen die obscurantistisch met heilige boeken zwaaien om daarop hun protest tegen genomen of te nemen politieke maatregelen te baseren.

Cliteur heeft de wind in de rug. Zijn boodschap klinkt aanvaardbaar voor weldenkende mensen. Zij die vanuit een religieuze positie iets zouden willen inbrengen, zien zich bij voorbaat al door Cliteurs betoog in een ridicuul hoekje gepositioneerd: het hoekje van de gedoogden, wier mening eigenlijk in het geheel niet maatschappelijk relevant geacht mag worden. Van overheidswege gedoogde `godsdienstige' andersdenkenden zien zich van meet af aan veroordeeld tot maatschappelijk huisarrest, hun opvatting lijkt qualitate qua niet geschikt te zijn om al te hardop te worden uitgesproken.

Cliteur maakt misbruik van reeksen in het oog vallende `religieuze' escalaties. Met als tragisch dieptepunt de gebeurtenissen te New York van 11 september. Zelfs Kierkegaard wordt erbij gehaald om te illustreren dat godsdienst een duister fenomeen is, dat in principe de mogelijkheid van een kwaadaardig goddelijk bevel aan gelovige enkelingen openlaat en dat daarom met de grootst mogelijke maatschappelijke argwaan omgeven dient te worden.

Op het eerste gehoor klinken Cliteurs uitspraken maar al te acceptabel: wie zou er niet beducht zijn voor plotseling de kop opstekend religieus terrorisme onder ogenschijnlijk goedaardige gelovigen: joodse, islamitische, of christelijke? Maar in feite bezondigt Cliteur zich aan verdachtmaking van kwetsbare maatschappelijke groeperingen, die niets, maar dan ook helemaal niets uitstaande hebben met de wandaden van het door hem aan de kaak gestelde inhumane snit. Cliteurs opmerkingen over het `gedogen' van godsdienst maken dan ook een laffe en misleidende indruk. Laf, omdat het uiterst gemakkelijk is om godsdienstige groeperingen vanuit een sterk staand modern, seculier en geëmancipeerd bewustzijn te beschuldigen. Misleidend, omdat het etiket `godsdienstig' zo rekbaar is, dat het goede diensten bewijst aan hen die het als alibi voor hun machtswellust of hun aan derden opgedrongen privé-frustraties gebruiken.

Cliteur beroept zich op een `oecumenisch humanisme', op `universele waarden' en op de Verklaring van de rechten van de mens. Prachtig. Wie zou daar wat op tegen kunnen hebben? Probleem is alleen dat dit oecumenisch humanisme zo weinig draagvlak bezit. Het draagvlak dat binnen handbereik ligt, is dat van verdragensluitende en protocollenopstellende intellectuelen. De teksten zijn mooi en hoogdravend, de onderlinge vriendschap is intellectualistisch, maar de samenlevingen waaruit ze voortkomen gaan kapot aan vereenzaming, verkilling en onverschilligheid onder de grotere massa's. Waarden van menselijkheid en rationaliteit zijn van het allergrootste belang, ze moeten alleen worden toegepast door enkelingen in concrete situaties. Algemene humanitaire waarden zijn zo vrijblijvend. Mensen moeten zich er ook persoonlijk door aangesproken voelen. Zolang dat niet het geval is, blijven ze volstrekt effectloos. Op dit punt kunnen de godsdiensten die ons land verrijken, veel betekenen, en betekenen ze ook daadwerkelijk veel, ook al gebeurt het merendeels in het verborgene.

Ondertussen blijft het probleem van religieus fanatisme, uitmondend in afschuwelijke zelfmoordacties, op tafel liggen. Dit probleem hangt hiermee samen, dat mensen zich hun God, Gods wil, voorstellen als een absoluut Goed, dat buiten deze aardse werkelijkheid ligt. Een absoluut Goed is absoluut nastrevenswaardig, en dient al mijn handelingen te oriënteren. Desnoods als het leidt tot extremistische wandaden ten aanzien van andere mensen, die door mij dan als middel worden gebruikt om het hoogste Goed te bereiken. Als ik mij beroep op God zelf, die dit van mij zou vragen, wie zou mij er dan van kunnen weerhouden? Inquisitie, gedwongen bekeringen, imperialisme, kruistochten, godsdienstoorlogen: evenzovele voorbeelden van een verondersteld absoluut goddelijk doel, dat alle middelen zou heiligen.

Cliteurs vrees voor ongecontroleerde radicaliteit moet telkens getoetst worden aan de feiten. Handelwijzen die – onder het mom van religie – mensen verminken dienen inderdaad te worden uitgebannen. Maar daarmee is het verhaal over de religie nog niet uit. Onder het kaf gaat koren schuil: het koren van individuele verantwoordelijkheid, niet-onverschilligheid jegens de ander en concrete medemenselijkheid. Wie dìt slechts wil gedogen, weet niet waarover hij het heeft.

Dr. Rico Sneller doceert filosofie en ethiek aan de faculteit Godgeleerdheid van de Universiteit Leiden.