Poort gaat niet meer dicht

De vakbonden spelen bij veel reorganisaties een belangrijke rol. Motto: redden wat er te redden valt.

Dit jaar is het precies dertig jaar geleden dat in Nederland de eerste bedrijfsbezetting plaatsvond. Bij textielbedrijf Enka in Breda, dat op last van moederbedrijf Akzo ingrijpend reorganiseerd moest worden, besloten ruim 800 werknemers – met ruggensteun van de vakbonden – de deur vijf dagen lang dicht te gooien voor de directie. De bezetting, die een schokgolf veroorzaakte in de samenleving, zette de toon voor de wijze waarop de vakbonden zich in de jaren daarna opstelden in bedrijven waar reorganisaties werden doorgevoerd. `Geen man de poort uit' werd al snel een gevleugeld begrip. Stakingen of zelfs bezettingen werden net zo lang volgehouden tot de directies bakzeil haalden.

Tien, vijftien jaar later pas begon bij de vakbeweging het besef te dagen dat ze met haar pogingen om met harde middelen banen te behouden het tegenovergestelde bereikte. In hun pogingen de vakbonden buiten de deur te houden probeerden ondernemers het werk te doen met zo min mogelijk arbeiders. En dus werden laaggeschoolde werknemers massaal vervangen door machines of door allochtoon personeel dat geen binding had met de Nederlandse vakbeweging en waarop de vakbonden zelf destijds ook neerkeken. Grote bedrijven als Philips hevelden bovendien steeds meer productiefaciliteiten over naar `lagelonenlanden'. Die ontwikkelingen leidden in de jaren tachtig tot massale ontslagronden en honderdduizenden werklozen.

Begin jaren negentig, toen de economie na een paar goede jaren weer ernstig in het slop kwam, is bij de vakbeweging definitief de knop omgegaan. `Geen man de poort uit' is in die periode vervangen door een nieuwe leus: `redden wat er te redden valt'. In plaats van zich te verzetten tegen reorganisaties en de gesprekken daarover desnoods af te kappen, hanteren de meeste vakbonden nu als stelregel dat de belangen van de werknemers er het meest bij zijn gediend wanneer hun werkgever een gezonde, winstgevende organisatie is. Ook als dat betekent dat bijvoorbeeld 10 procent van de arbeidsplaatsen moet verdwijnen of dat er een jaar lang geen loonsverhoging komt.

De belangrijkste rol van de vakbonden bij reorganisaties is tegenwoordig het afsluiten van een (goed) sociaal plan. In zo'n plan legt de onderneming bijvoorbeeld vast of werknemers wel of niet gedwongen ontslagen kunnen worden, welke regelingen er zijn om mensen om te scholen voor een andere functie of wie er in aanmerking komt voor een vervroegde VUT-regeling. Bij kleinere ondernemingen bestaat zo'n sociaal plan uit een paar velletjes papier, maar bij grote ondernemingen als ABN Amro of Shell beslaan de sociale regelingen inmiddels een flink boekwerk.

Bij werknemers die betrokken zijn bij een reorganisatie valt de coöperatieve opstelling van de vakbonden meestal niet in goede aarde. Vooral degenen die hun baan kwijtraken zien in de bonden nu eerder een vijand dan een vriend. ,,[Maar] bij een massaontslag als dit, verwacht je toch een krachtige bond die er voor het personeel staat en het onderste uit de kan probeert te halen'', verzuchtte de voorzitter van de Centrale Ondernemingsraad van KPN eind november in NRC Handelsblad.

De vakbonden zitten in een lastig parket. Hun voorbeeldige maatschappelijke rol heeft ze in binnen- en buitenland veel complimenten opgeleverd, maar de toestroom van nieuwe (jonge) leden stagneert omdat steeds minder werknemers het nut inzien van een vakbondslidmaatschap. Ook zijn er sectoren, zoals de spoorwegen, waar boze werknemers er voor kiezen om zelf een vakbond op te richten. Door hun militante opstelling weten deze bonden vaak in korte tijd veel leden binnen te halen. De reorganisatieplannen bij de NS (met het inmiddels beruchte `rondje om de kerk'), waar de bestaande bonden na maanden overleg mee hadden ingestemd, werden vlak voor de invoering door de nieuwkomers alsnog met stakingen en acties overhoop gehaald.