Politiek moet af van rituelen als het Torentjes-overleg

Fractiediscipline is bijna even oud als het verschijnsel nationale politieke partij. De anti-revolutionairen waren er het vroegst mee, liberalen het laatst. Straf georganiseerde partijen, zoals vroeger de CPN of nu de SP, leveren in het algemeen ook de meest gedisciplineerde fracties in de Tweede Kamer af. Hoe strakker het ideologisch korset van de partij, des te kleiner de bewegingsvrijheid van de individuele volksvertegenwoordiger.

Ontegenzeglijk is de afgelopen decennia de interne orde binnen alle serieuze fracties gegroeid. Het voormalig Tweede-Kamerlid Ton de Kok (CDA) wijt dat deels aan de vorming van zijn eigen partij in de jaren zeventig. Voor andere politieke groeperingen heeft dat geen doorslaggevende rol gespeeld. En toch zijn overal de touwtjes aangetrokken. Fractiediscipline is een reëel mechanisme in alle fracties. Fractieverantwoordelijkheid en individuele vrijheid kunnen natuurlijk met elkaar in botsing komen. Waar het gaat om ethiek en moraal en om oorlog en vrede moet de fractie wijken voor de persoon. Tegen het persoonlijke geweten stemmen mag van niemand worden gevraagd.

Doorgaans beseffen Kamerleden dat hun persoonlijke opvatting bijdraagt aan het fractiestandpunt, maar daarmee niet altijd samenvalt. Zij realiseren zich ook dat zij weliswaar in naam het gehele volk vertegenwoordigen, maar daarbinnen toch in de eerste plaats de kiezers die op hun partij hebben gestemd. Het is dus niet onlogisch dat zelfs de vrijste geesten rekening wensen te houden met de belangen en de beeldvorming van hun eigen partij.

Daar zijn enkele oorzaken voor aan te wijzen. Het kiesstelsel dat wij sinds 1917 hebben stelt niet de individuele volksvertegenwoordiger voorop, maar de lijst waarop hij of zij is gekozen. Het gemiddeld Kamerlid heeft geen eigen electoraat, geen eigen regio die hem afvaardigt en geen ander programma dan dat van zijn partij. De centrale kandidaatstelling met één landelijke lijst, die alleen aan de staart nog regionale verschillen laat zien, versterkt de greep van de partij.

Politieke partijen zijn steeds meer professionele organisaties geworden, gericht op werving en selectie van politiek personeel en maximalisering van invloed door kiezerswinst. Met uitzondering van D66 zijn de meeste `kaderpartijen' zo georganiseerd dat een handjevol professionals de kandidaatstelling bepaalt. Gewone leden hebben slechts een marginale invloed op de einduitslag. Zelfs het nieuwe Leefbaar Nederland kookt zijn kandidaten voor.

Het gevolg is veelal dat Kamerleden beginnen als schoothondjes van de partijleiding en maar moeten zien of ze van de leiband los kunnen raken.

De doorgeschoten professionalisering en ritualisering van de politieke verhoudingen vormen een andere factor. Regeerakkoorden vormen tegenwoordig een contract, waar fracties en individuele leden niet straffeloos van kunnen afwijken. Deze formatiemethode zorgt samen met het ingeburgerde gebruik om de regering voornamelijk te bevolken met door de wol geverfde partijpolitici voor een wel erg intieme relatie tussen coalitiefracties en kabinet. Niet voor niets spreekt men tegenwoordig over regeringsfracties. Politiek wordt zo crisisbeheersing met fractievoorzitters in de rol van crisismanager. Het `in het gareel brengen' van Kamerleden staat zelden los van het `overeind houden' van ministers.

De oppositie heeft andere belangen, maar werkt hetzelfde. Het belangrijkste doel is de coalitie uit elkaar te spelen. Tot dezelfde rituele oppositiepolitiek behoort ook dat elk maatschappelijk incident een politieke staart moet krijgen en liefst een politieke kop moet kosten. Ook het oppositionele Kamerlid is dus niet vrij in zijn politieke oordeel. Bovendien maakt een intern verdeelde oppositiefractie niet de indruk een daadwerkelijk alternatief te kunnen zijn. Dissidenten zijn nergens geliefd, zo ondervond al eerder Jacques de Milliano.

Kan het anders? Partijen en fracties zullen dan zichzelf aan de eigen haren uit het moeras moeten trekken. Te beginnen bij de politieke rituelen. Coalitiefracties moeten het risico aandurven van kleinere regeerakkoorden op hoofdlijnen. Het kabinet moet meer vertrouwen op zijn overtuigingskracht dan op de macht van het getal.

Het kan bijvoorbeeld helemaal geen kwaad om af te stappen van het Torentjes-overleg tussen kabinetsleiding en fractievoorzitters. In mijn ervaring is het maar een enkele keer informatief en zelden doorslaggevend. Als er al in de afgelopen jaren iets werd `geregeld', dan betrof het een aanpassing van het regeerakkoord. Maar al wordt de betekenis dus schromelijk overdreven, het `Torentje' staat niettemin voor achterkamertjes en handjeklap waar het gewone hardwerkende Kamerlid de dupe van wordt. Die prijs is het niet waard. Een goed kabinet kan ook zonder die rituele wekelijkse lunch.

In de cultuur van het parlement zou het normaler moeten worden dat individuele Kamerleden aan het debat deelnemen, ook al spreken zij niet namens hun gehele fractie. Oppositiefracties hoeven het niet per se met alles oneens te zijn omdat zij nu eenmaal oppositie zijn, en coalitiefracties hoeven niet per se iedereen binnenboord te houden als ze toch al beschikken over comfortabele meerderheden. Wat zou er eigenlijk tegen zijn geweest als Rob van Gijzel zijn eigen verhaal in de Kamer had kunnen houden en een ander PvdA-Kamerlid dat van de fractiemeerderheid?

Politieke partijen kunnen meer invloed geven aan gewone leden, regio's en maatschappelijke groeperingen om kandidaten te selecteren. Ze kunnen ook meer gewicht geven aan het aantal eigen stemmen dat kandidaten halen bij verkiezingen en zo de definitieve lijstvolgorde bepalen. Zittende Kamerleden moeten niet langer alleen worden afgerekend op partijtrouw, maar vooral op vertrouwen van kiezers en op hun concrete resultaten.

Cultuurveranderingen komen zelden tot stand als er geen dwingende kracht bestaat. Die kracht ontstaat door een ander kiesstelsel dat de persoon van de volksvertegenwoordiger voorop stelt. Kandidaten die zichzelf aan de man moeten zien te brengen in eigen kiesdistricten. Kamerleden met een eigen in plaats van een afgeleid mandaat staan per definitie sterker tegenover partijdicipline en fractiedwang. D66 voelt zich in haar pleidooi voor zo'n ander kiesstelsel nu gesteund door vogels van zeer verschillende politieke pluimage. Het werd tijd. De vraag is alleen of andere partijen daadwerkelijk de moed hebben om de politiek ingrijpend te veranderen. Laat dat maar een vraag aan de kiezers zijn op 15 mei 2002.

Thom de Graaf is fractievoorzitter van D66 in de Tweede Kamer