Ontdekking

Minister Hermans heeft de indruk dat de hogescholen denken dat alles geoorloofd is zo lang het niet nadrukkelijk is verboden. Dat heeft hij ongetwijfeld juist gezien. Zo denken ze niet alleen bij hogescholen, maar in het hele onderwijs, wat niet zo wonderlijk is, want zo zijn ze ook opgevoed. Door het ministerie van Hermans zelf nog wel.

Een goede schoolleider was een schriftgeleerde die erin slaagde de circulaires van het ministerie te doorgronden om die vervolgens op de voor de school voordeligste wijze uit te leggen. Ik heb het talloze keren meegemaakt tijdens conferenties en studiedagen. Wat jij doet dat mag helemaal niet, verweet een schoolleider zijn collega, en het antwoord was dan steevast: wijs jij mij maar eens aan waar dat staat. Vaak genoeg waren bij dergelijke discussies ook ambtenaren aanwezig die zich vervolgens naar hun ministerie spoedden, nou ja, spoedden, er hoe dan ook weer naar terugkeerden om daar te werken aan een circulaire die deze creatieve omgang met de regels diende dicht te timmeren.

Inmiddels hebben scholen meer eigen beleidsruimte gekregen, maar omdat nog immer dezelfde schriftgeleerden aan het roer staan, is het uitgangspunt nog steeds dat alles mag tenzij het uitdrukkelijk is verboden. Soms gaan scholen in hun ijver om geld te vergaren nog een stap verder, en doen wat duidelijk niet mag. Bijvoorbeeld leerlingen ingeschreven laten staan terwijl ze de lessen al lang niet meer bijwonen.

Inmiddels gaan de discussies op conferenties en studiedagen al lang niet meer over wat wel en wat niet mag. De belangstelling gaat nu vooral uit naar de personeelsproblematiek. Logisch, want je moet als onderwijsinstelling niet alleen je best doen de mensen binnenboord te houden, je moet ze ook nog eens motiveren mee te werken aan allerlei ontwikkelingen waarvan het nog maar de vraag is of ze niet weer binnenkort worden teruggedraaid.

Onlangs had ik het genoegen aan een dergelijke discussie deel te nemen. Genoegen omdat het een prettig gezelschap betrof in een alleszins plezierige omgeving. Een organisatie-adviseur stelde de aanwezigen de vraag hoeveel mensen op het laagste managementniveau in hun scholen werden aangestuurd. De verzamelde directeuren kwamen tot een gemiddelde aantal van zo'n stuk of 20 leraren. Dat is aan de hoge kant, vond de adviseur en daar heeft hij ongetwijfeld gelijk in. Maar veel erger is het, dat het een fictie is te menen dat er op dat niveau überhaupt aangestuurd wordt. Het werk van dit soort functionarissen (directeuren van basisscholen, brugklascoördinatoren, e.d.) bestaat voornamelijk uit het bedenken van oplossingen voor lessen die uitvallen door ziekte, problemen met leerlingen, kortom de boel draaiend houden. Aan aansturen van personen, coördineren van onderwijs, overleggen over hoe bepaalde onderwijskundige ideeën te realiseren, daar komen ze niet aan toe. Alle energie van alle onderwijspersoneel gaat naar de zaak hoe dan ook draaiend houden.

Dit probleem speelt overigens al veel langer en is een gevolg van het feit dat we het onderwijs de afgelopen decennia van alle personele en materiële franje hebben ontdaan. Doordat scholen er niet langer in slagen de zaak hoe dan ook draaiend te houden, wordt dit nu pas algemeen onderkend. Dat ze daar niet langer in slagen komt door een gebrek aan personeel, door het zichtbaar worden van de gevolgen van de jarenlange verwaarlozing van materialen en gebouwen, en door de wanhoop als gevolg van het verwarrende onderwijsbeleid. Voordeel is overigens wel dat, met de voorzitter van de SER, ook de nieuwsmedia dit alles hebben ontdekt.

prick@nrc.nl