Managersmentaliteit

President-commissaris Jan Timmer van de Nederlandse Spoorwegen beschuldigde minister Netelenbos afgelopen woensdag van ,,digitaal denken'', omdat ze vasthield aan de letter van het prestatiecontract, waarin als minimumeis werd vastgelegd dat het met miljarden overheidsgeld gesteunde bedrijf er ten minste in slaagde niet meer dan één op de vijf treinen met vertraging te laten rijden. ,,Dat percentage is heilig verklaard'', aldus Timmer in deze krant. ,,Ik geloof niet in die rigiditeit. Ik vind dat meetgetal van dubieuze waarde.'' Kon hij helpen dat mensen zo stom waren om voor een trein te gaan liggen of dat er plotseling een storm opstak, waardoor de treinen langzamer moesten rijden?

Ziedend was hij. En hij had nog zo zijn best gedaan. ,,Twee, tweeënhalve dag per week zat ik in Utrecht of was ik met de directie aan de telefoon. Maar ook persoonlijk ben ik zeer intensief bezig geweest met het verbeterplan.'' Maar de onwil was te groot, bij de minister, die niet wilde luisteren, bij de Tweede Kamer, die van toeten noch blazen weet als het over het leidinggeven aan een onderneming als de NS gaat, bij het personeel dat voortdurend dwarslag en maar niet solidair wilde zijn met zijn glorieuze toekomstvisie. Hoe kan je een bedrijf leiden als je ,,steeds naar Zutphen of waar dan ook moet om slangen te bezweren''?

Als Timmer kwaad is, en volgens mij is deze man die zichzelf graag met een tank vergelijkt (`operatie Centurion') dat nogal vaak, verhaspelt hij zijn beeldspraak op een interessante manier. Onrust bezweren wordt slangen bezweren; dat zegt iets over hoe deze president-commissaris tegen zijn ondergeschikten aankijkt. Voeg daar het aggressieve dédain aan toe van dat ,,steeds maar naar Zutphen of waar dan ook'' en er is alweer iets meer van het wereldbeeld van Timmer onthuld: in de NS van de toekomst, zoals hij dat in zijn hoofd had, speelde Zutphen en alles wat daar voor staat, helemaal geen rol meer.

Maar nu Timmer onder zijn eigen tank terechtgekomen is en niet voor het eerst in zijn carrière rest hem de gekwetste ijdelheid van de afgezette dictator. Dan moet Nederland het zelf maar weten. Graag of niet. ,,Bij ons breekt er natuurlijk ook een keer iets, als je nagaat hoeveel tijd we aan het bedrijf besteed hebben.''

En ik maar denken dat hij ervoor betaald werd! Bij dat laatste zinnetje gaat een wereld voor je open. Dat commissariaat was geen opdracht of eer, blijkt nu, het was een gunst. We mogen blij zijn dat Timmer ook nog werkelijk tijd aan de NS heeft willen besteden, dat hij zijn functie als president-commissaris als meer zag dan als een eerbewijs aan zijn persoon.

Er wordt wat de NS betreft veel geklaagd over de vakbondsmentaliteit van het personeel onwil jegens verandering, kleine belangen boven de grotere stellen, eindeloos overleg en gezeur maar inmiddels kun je in Nederland bij de top van het bedrijfsleven ook spreken van een managersmentaliteit. Het zijn twee kanten van dezelfde medaille. Waar de vakbondsmentaliteit het zicht op het grote geheel ontbeert, daar ontbreekt bij de managersmentaliteit ieder besef van de dagelijkse werkelijkheid, het besef dat er achter al dat zakenjargon en de snelle newspeak die met de technologische revolutie van de afgelopen decennia is opgekomen, er ook nog zoiets als een realiteit bestaat waarin al die geïnflateerde woorden hun beslag moeten krijgen. Vooral Nederlandse managers lijken verzot op die snelle zwevende taal van het moderne zakendoen, ze waaien met alle internationale winden mee, en verbinden hun bestaan het liefst zo min mogelijk aan een enkel tastbaar bedrijf. Hun business is business, wat er daar ver beneden hen gebeurt, doet er zoveel minder toe. Hun ideaal is het commissariaat, de betrokkenheid op afstand, de glamour zonder de verantwoordelijkheid. Hun geheime genoegen is de handel met voorkennis.

En zo gaat het ene na het andere Nederlandse concern naar de knoppen, sneller dan we voor mogelijk houden. Waarom die schijnwereld van het moderne zakendoen zoveel greep heeft op de top van juist het Nederlandse bedrijfsleven? Omdat veel van hen zelf van oorsprong uit de klei getrokken boeren zijn, denk ik, die zich door hun tank-achtig doorzettingsvermogen hebben ontworsteld aan een benepen Hollandse werkelijkheid en nu een groots en meeslepend zakenleven willen leiden, het liefst zo internationaal mogelijk. Alles wat hen aan hun armzalige wortels herinnert, moet op zo'n groot mogelijke afstand worden gehouden. Het zou me dan ook niets verbazen als Timmer zelf uit ,,Zutphen of waar dan ook'' kwam.

Timmers grootste talent lijkt me dat hij door niets uit het veld is te slaan zelfs niet door zijn eigen incompetentie. Hij weet natuurlijk ook wel dat de chaos bij de Nederlandse Spoorwegen niet te wijten is aan een paar zelfmoorden en een weggewaaide bovenleiding. Hij beseft ook wel dat het niet gaat om treinen met een paar minuten vertraging, maar om een staatsbedrijf dat door structureel wanbeleid nauwelijks meer functioneert en daardoor een niet te onderschatten maatschappelijke ontwrichting heeft veroorzaakt, waar miljoenen mensen vrijwel dagelijks de dupe van zijn. Timmer en de rest van de top van de NS hebben Nederland een slechte dienst bewezen, ik druk het zachtjes uit. Zijn antwoord op dit debacle zes jaar was hij president-commissaris zijn reactie op dit schrijnende bewijs van zijn onvermogen: iedereen de schuld geven, vooral het personeel van zijn eigen onderneming, behalve zichzelf. ,,Bij ons breekt er natuurlijk ook een keer iets, als je nagaat hoeveel tijd we aan het bedrijf besteed hebben.'' Het is de arrogantie van de onmacht.

Een keiharde schop onder zijn kont, zou ik zeggen. Maar de realiteit van het moderne Nederlandse zakenleven is anders. Van een afstand mag Timmer de indruk wekken van een botte klootzak met een egoprobleem, binnen de wereld van het Hollandse topmanagement blijken dat juist uitgelezen kwaliteiten. Deze krant meldde dat de tot opstappen gedwongen president-directeur Huisinga erop rekent dat hij elders wel weer aan de bak komt. En Timmer verklaarde monter dat hij zich meer op zijn andere commissariaten gaat toeleggen, onder andere bij Shell en ING.

God sta ons bij.