Leuk! Proefjes!

`In een druppel water zitten meer moleculen dan er mensen op aarde zijn.' Ir. Joop van Berkum geeft scheikundeles aan leerlingen van de basisschool.

Het vuur werd jaren geleden aangewakkerd op de basisschool in Deurne waarop zijn dochter zat. Daar gaf ir. Joop van Berkum eens een lesje scheikunde om, ook voor zijn dochter, duidelijk te maken wat dat nou eigenlijk is: scheikunde. ``Toen zag ik de verwondering op die gezichtjes en was ik verkocht.'' Van Berkum gaf jaren les op de TU Delft. Inmiddels is hij gepensioneerd, maar het golfen beu, ging hij op zoek naar een zinvolle vrijetijdsbesteding. En zo kwam hij weer terecht in het basisonderwijs, waar hij zijn oude métier weer heeft opgepakt en scheikunde geeft.

Dat doet hij overigens niet alleen voor zijn eigen plezier, maar vooral ook uit overtuiging dat daar de meeste zieltjes te winnen zijn voor het vak. ``De chemie kampt met een slecht imago. De chemische industrie staat bekend als `milieuvervuiler'. Als gevolg daarvan trekt de sector weinig studenten. Tien jaar geleden waren er nog 1275 eerstejaarsstudenten scheikunde, maar dit schooljaar zijn dat er nog maar 400. En dat terwijl de chemische industrie er jaarlijks 600 nodig heeft. Daar moet dus wat veranderen, maar volgens mij ben je te laat als je kinderen op de middelbare school probeert te interesseren voor het vak. Of het nou de hormonen zijn of gewoon hun houding, maar vanaf een jaar of twaalf, dertien zijn kinderen hun verwondering kwijt. Als je dan de klokreactie laat zien krijg je reacties als `o, het is ineens blauw, nou leuk voor je'.''

De klokreactie roept bij de leerlingen uit groep acht van basisschool De Zeilberg uit Deurne, die vandaag een lesje scheikunde bijwonen, nog wel de verwondering op die Van Berkum zoekt. ``Oh'', klinkt het als na acht tellen de transparante vloeistof in de mengbeker plotsklaps donkerblauw kleurt. Van Berkum herinnert zich de verwondering nog uit zijn eigen jeugd. ``Ik heb dat proefje gezien toen ik een jaar of zes, zeven was en dat is me altijd bijgebleven. Daar ligt volgens mij de kiem van mijn eigen interesse in het vak.''

Als de leerlingen het scheikundelokaal van het Peelland College binnenstromen trekt Van Berkum zijn witte jas aan. Voor in het lokaal staan al ettelijke flesjes, potjes en een rekje met glasbuisjes klaar. Met zijn handen gevouwen tegen zijn kin wacht Van Berkum tot het rustig genoeg is om zich voor te stellen. ``En, jongens en meisjes, in deze les mag je gewoon roepen wat in je opkomt. Wie weet wat scheikunde is?'' ``Daar maak je producten mee'', wordt er geantwoord. ``Heel goed'', zegt Van Berkum en hij pakt zijn eerste `bewijsstuk': een plastic fles.

Het project is een initiatief van Van Berkum. Hij wordt gesponsord door de Stichting C3, Communicatie Centrum Chemie, uit Leidschendam, die op haar beurt wordt gefinancierd door de VNCI, Vereniging Nederlandse Chemische Industrie. De basisscholen zelf dragen vijftig gulden bij. Het project is dit najaar als pilot van start gegaan en eindigt begin januari. In totaal heeft Van Berkum in samenwerking met het Onderwijscentrum Gewest Helmond (OCGH) vijftien basisscholen in en rond zijn eigen woonplaats Deurne benaderd en allemaal doen ze mee.

Scheikundeboeken voor de basisschool bestaan niet, dus heeft Van Berkum de lessen zelf ontwikkeld. ``In anderhalf uur tijd probeer ik de kinderen de belangrijkste punten van de chemie te leren, in een zo eenvoudig mogelijke vorm.'' Zo haalt Van Berkum leerlingen voor de klas die elkaar als de atomen van waterstofmolecuul moeten vasthouden. Door de kinderen te laten bewegen laat hij het verschil zien tussen gassen, vloeistoffen en vaste stoffen. ``Ik heb vierendertig jaar leservaring'', zegt Van Berkum als verklaring voor hoe hij scheikunde leuk en begrijpelijk weet te maken voor kinderen van elf, twaalf jaar. ``En ik heb veel met collega's gepraat. Zo kwam ik aan het idee om een suikerklontje te gebruiken om uit te leggen wat moleculen zijn. Dat suikerklontje maak ik eerst kapot en los ik daarna op in water om maar te laten zien dat het nog steeds suiker is, maar in een andere vorm.''

Terug in het leslokaal haalt Van Berkum uit één van de kratten met spullen die hij heeft meegebracht een speelgoedautootje te voorschijn dat als een bruggetje dient naar het molecuulmodel dat voor hem op tafel ligt. ``Is dit een auto?'' ``Ja'', antwoorden de kinderen braaf. ``Kun je er écht in zitten dan?'' ``Nee'', antwoorden de kinderen wederom braaf. ``Dat noemen we een model van een auto'', gaat Van Berkum verder. ``Iedere stof is opgebouwd uit moleculen. Hier heb ik een model van een molecuul, maar in het echt is het veel kleiner. In één druppel water zitten al meer moleculen dan er mensen op aarde zijn.''

Van Berkum ontleedt met de leerlingen een aantal moleculen om tot de scheikundige formules te komen van water, koolstof en stikstof. Het slimste jongetje van de klas weet al dat het ene rode bolletjes van het molecuul dat water voorstelt `zuurstof' is. ``Omdat vissen er in ademen'', zegt Luc (12), ``en ik had op televisie gezien dat er maar heel weinig zuurstof in water zit, en daarom moest het wel dat ene rode bolletje zijn.''

Van Berkum ziet zijn eigen rol vooral als enthousiasmerend. Zijn einddoel is te komen tot een systeem waarin `science', en in het bijzonder chemie, structureel wordt opgenomen in het basisonderwijs. Dit houdt in dat clusters zouden moeten worden gevormd van een scholengemeenschap met daar omheen liggende basisscholen, waarbij de sectie scheikunde lessen verzorgt voor de leerlingen van de basisscholen en bijeenkomsten organiseert voor de leerkrachten, om hen te leren hoe ze zelf eenvoudige scheikundelessen kunnen geven. Vooralsnog doet Van Berkum ook dit zelf. ``Het probleem is dat je van de scheikundeleraren niet veel hoeft te verwachten'', zegt Van Berkum. ``Die hebben het te druk. Wil het project slagen, dan moet het initiatief bij de basisscholen liggen, zodat de middelbare scholen geen administratieve rompslomp hebben. Daarvoor moeten we een structuur ontwikkelen.'' Inmiddels is Van Berkum al volop bezig met de mogelijke financiering hiervan.

Op het Peelland College begint het leukste deel van de les als Van Berkum met hulp van de kinderen proefjes gaat doen. Twee aan twee mogen de kinderen meedoen. In opperste concentratie giet Linda (11) heel voorzichtig wat ammoniak in het glasbuisje met kopersulfaat dat Michel (11) vasthoudt en dat vervolgens blauw kleurt. De hele klas doet mee, er is geen geklets. Er wordt zelfs niet gegniffeld als Jacob Evie's hand moet vasthouden om iets in haar glasbuisje te kunnen gieten, en Jacob dit zichtbaar ongelukkig met niet meer dan zijn duim en wijsvinger doet.

Aan het einde van de les, die toch een kleine anderhalf uur duurde, zijn de ramen beslagen. Michel vond het leuk. ``Ik vond het niet moeilijk'', zegt hij. ``Ja, die namen voor al die stoffen, dat wel.'' En ook Linda viel het mee. ``Ik had verwacht dat het saaier zou zijn.'' Maar ook het slimste jongetje van de klas weet nog niet of hij later `iets met scheikunde' zal gaan doen. Want dat is de ultieme vraag die pas over jaren beantwoord zal kunnen worden: hoeveel kinderen zullen hun verwondering van vandaag gaan omzetten in wetenschap?