In de ban van `The Lord of the Rings'

Leestips en een literaire stoomcursus van Pieter Steinz. Wat te lezen na `In de ban van de ring'?

De beste roman van het vorige millennium was niet Ulysses of Don Quixote, niet Nineteen Eighty-Four of Anna Karenina, maar The Lord of the Rings van J.R.R. Tolkien (1892-1973). Tenminste, volgens de tienduizenden Engelse lezers die een paar jaar geleden meededen aan twee concurrerende polls, van boekhandel Waterstone's en de deftige Folio Society. Hun mening werd onderstreept door een einde-eeuwsenquête van internetboekhandel Amazon, en door de torenhoge verkopen van Tolkiens trilogie. Meer dan 60 miljoen exemplaren zijn er in de afgelopen vijftig jaar van afgezet, en de erven Tolkien tellen nog steeds door – met verdubbelde kracht, nu de verfilming door Peter Jackson van deel 1 (The Fellowship of the Ring) volle zalen trekt.

John Ronald Reuel Tolkien, die eergisteren zijn 110de verjaardag zou hebben gevierd, schreef het verhaal van de queeste van de dwergachtige `hobbit' Frodo in de jaren veertig, als opvolger van zijn romandebuut The Hobbit (1937), dat een groot succes bij kinderen was geworden. In The Lord of the Rings (1954-55) reist een gezelschap van sprookjeswezens (onder wie de tovenaar Gandalf) door `Midden-Aarde' naar de `Doemberg', om daar een magische ring te vernietigen die in handen van de boze macht Sauron een ramp van apocalyptisch formaat zou betekenen. Het is de aloude strijd tussen Goed en Kwaad, door Tolkien opgetuigd met behulp van een ongebreidelde fantasie en een encyclopedische kennis van Noordse sproken en Oud-Engelse epen. De taalwetenschapper, opgegroeid in de Engelse Midlands, was dan ook in het dagelijks leven hoogleraar Angelsaksische cultuur in Oxford.

The Lord of the Rings had bij verschijning in 1955 al groot succes, maar dat viel in het niet bij de manier waarop de boeken een decennium later in een paperbackeditie de Amerikaanse markt veroverden. Tolkiens boodschap – hoed je voor hebzucht, wantrouw de macht, verzet je tegen onrecht – werd omhelsd door de tegencultuur, en tot ver in de jaren zeventig was zijn epos het lijfboek van iedere progressieve adolescent. En hoewel critici de literaire verdiensten van The Lord of the Rings betwistten (Tolkien: ,,het werd geschreven om te amuseren'), stond het aan de basis van een nieuw genre, fantasy, dat niet alleen op Tolkiens sword and sorcery voortborduurt, maar zich ook spiegelt aan zijn wijdlopigheid. Fantasy-schrijvers als Stephen Donaldson en David Eddings draaien hun hand niet om voor een tetralogie of een pentalogie, terwijl J.K. Rowling, Tolkiens succesvolste nabloeier, de avonturen van Harry Potter over zeven delen uitsmeert.

Ook in Nederland en België (1 miljoen verkochte exemplaren) is In de ban van de ring, zoals vertaler Max Schuchart in 1957 de trilogie doopte, vanaf de jaren zestig onveranderlijk populair geweest – denk alleen maar aan de Kabouterpartij en het sekstijdschrift Gandalf. De vreedzame hobbits, met wie Tolkien zich zeer vereenzelvigde (,,Ik rook een pijp en houd van een goed en eerlijk maal') hadden hier tot de komst van Harry Potter maar één concurrent: de eveneens pijprokende en voedzame maaltijden etende Ollie B. Bommel, wiens avonturen tussen magiërs en sprookjeswezens in 177 verhalen werden opgetekend door die andere heer van stand, Marten Toonder.