Fransen hebben last van `u weet wel, nare luchtjes'

Eigen ervaring wijst uit dat een significant deel van de Fransen, en met name van de Franse mannen, onaangenaam ruikt, hetzij lijfelijk, hetzij uit de mond, hetzij beide. Men kan zoiets duidelijker zeggen, maar het is een delicate kwestie. We hebben het hier tenslotte wel over een bevriende natie, en bovendien: bewijs het maar eens. Maar waarheid is het, dat ik hier tijdens gesprekken veel vaker dan in eigen land een pas achteruit doe en veel vaker ook toch maar besluit ergens anders te gaan zitten.

Het is niet de knoflook waarnaar iedereen die ik erover spreek opgelucht verwijst. Knoflooklucht is niet per se onaangenaam en laat zich goed thuis brengen. Bovendien is de geur die me stoort ook heel herkenbaar: als die van muffe kleren, van een ongewassen lichaam, van een onvoldoende schoongehouden mond. Heb je dat eenmaal opgemerkt, dan vallen vanzelf andere, aanverwante kenmerken op. Franse mannen hullen zich weliswaar vaker dan Nederlandse in kostuum met stropdas, maar de kwaliteit van dit onontbeerlijke uniform is over het algemeen povertjes. Slechtgesneden schouders, glimmende broeken, grauwe boorden, het geheel, inclusief de strop van de das, een maatje te groot.

Dan de gebitten. Om op te schieten, en dat is gebeurd ook, gezien de donkere gaten in de mondhoeken. Van zowel mannen als van vrouwen en óók in de hoofdstad. Slechte gebitten over het algemeen, waaruit vaak een navenante lucht opstijgt – hogere kringen niet uitgezonderd. Op ministeries, ambassades en in de Assemblée doe ik die pas net zo goed achteruit als in café of winkel.

Dat is vreemd voor de natie van stijl en mode en parfumerie, die bovendien beschikt over een gezondheidszorg die tot de beste ter wereld behoort. ,,Je zou de Russen eens moeten ruiken!'' hoont een collega die een tijd in Moskou woonde en die vindt dat ik zeur. Het laatste mag waar zijn, het eerste is geen argument. Met de Russen zal het vast erger zijn gesteld dan met de Fransen, maar voor het stinken der Russen zijn tal van redenen aan te voeren die voor het stinken der Fransen, die de vijfde of zesde economie ter wereld draaiende houden, niet opgaan.

Erover praten is niet gemakkelijk, net als je neus houd je ook je mond maar dicht. Maar laatst liet mijn keurige en tot in de puntjes verzorgde buurvrouw zich ontvallen altijd per bus en nooit met de metro te reizen – in verband met 'u weet wel: nare luchtjes'. Ach, nu u het zegt, zei ik met nauwelijks verholen gretigheid: waar komen die toch vandaan? Te weinig deodorant, luidde haar oordeel. Maar toen ik vroeg of de gemiddelde Fransman wel dagelijks doucht en daarna een schone onderbroek aantrekt, schudde ze giechelend het hoofd: ik moest het ook weer niet overdrijven. Ze is wel een moeder die kinderen heeft grootgebracht, zij het in een andere tijd.

Tegenwoordig beschikt de meeste huishoudens over douche of bad. Maar in 1999 zei slechts 52 procent van de vrouwen en 37 procent van de mannen daar dagelijks gebruik van te maken. 31 procent van de vrouwen en 44 procent van de mannen douchte drie of vier keer per week, acht procent van de vrouwen en tien procent van de mannen een keer per maand. Gemiddeld draaien Fransen de douchekraan 4,4 keer per week open en die van het bad één keer per week. Slechts 14 procent gebruikt zeep (maar dat kan ook door het gebruik van zeepvervangende producten komen) en 67 procent van de mannen zegt (bijna) dagelijks deodorant te gebruiken.

Ongeveer de helft van de Franse mannen zegt één keer per jaar naar de tandarts te gaan. Onvoldoende, vindt mijn Franse tandarts. Het is een mentaliteit, volgens haar, die zelfs heerst in het 16e arrondissement, een van de chicste wijken van Parijs waar zij een tijdlang praktijk hield. Haar landgenoten zijn volgens haar allemaal Zonnekoningen: zich wassen en tanden poetsen, ho maar, ze gooien een handvol poeder op hun pruik en dat moet het dan zijn.

Frankrijk heeft een façade-cultuur. De schijn van fatsoen moet worden opgehouden. Kijk naar de imposante paleizen waar de grote instituts républicains in zijn gevestigd. Pracht en praal aan de buitenkant, afgebladderde verf en tot op de draad versleten gordijnen van binnen. Toch zou het gebit, uiterlijk kenmerk bij uitstek, dan op z'n minst in orde moeten zijn. Het is een raadsel, zoals er nog wel andere zijn. Zo ben ik er ook nog niet uit wanneer precies je moet zeggen `verrukt' te zijn iemand te zien en wanneer je zonder te groeten aan een bekend gezicht voorbij moet lopen. Opperste elegantie en kille afstandelijkheid: de Franse omgang voorziet in beide mogelijkheden.

De lijflucht, intussen, kan met de voeding verband houden – Fransen eten traditioneel weinig groenten en fruit –, met te weinig wassen (ook van de kleren), maar ook met preutsheid. In mijn sportschool doucht menigeen met een zwembroek aan en na afloop staan er nogal wat – schichtig om zich heen kijkend zodat ze mijn meewarige blik wel moeten opmerken – met een handdoek om de lendenen geslagen hun onderbroek aan te wurmen. Precies zoals wij als kind deden, op het strand, diep in de jaren vijftig. Maar er zijn hier wel supersnelle treinen, en ze vertrekken op tijd.