For he 's a jolly good fellow

Een paar weken geleden, op de dag dat Sinterklaas op het IJ in zicht kwam, heb ik zo maar een heleboel geld verdiend en wel op eigen fysieke kracht en met verbazingwekkend beheerst en ingetogen technisch inzicht.

Het zeeppoederbakje benevens het bakje voor de wasverzachter van mijn wasmachine zat muurvast. Vooral dat laatste is voor een zorgvuldige afwerking van mijn wasprogramma van groot belang, omdat ik er altijd voor extra waskracht en grondig schoon een flinke kledder groene zeep in kwak. Wat ik ook wrikte en trok: geen beweging. Zeeppoeder wil nog wel eens klonteren, dus probeerde ik van binnenuit het hele spul met gloeiend heet water uit de ketel los te weken. Resultaat? Linkerhand verbrand.

Wrik, wrik, geen beweging. Dan komt bij mij het reddende inzicht. Even ben ik Napoleon bij de slag van Austerlitz. Hij ruimt de barricades links en rechts op, verschaft zijn troepen ruimte en dan van achteren, van links over de heuvel, steekt hij door. Overwinning. Geschiedenis.

Maar nu ik. Mijn oog valt op een zogenaamd onbelangrijk palletje.Ik schuif het naar links en wat gebeurt? Victoria. Bakje los. Hondervijftig gulden voorrijden verdiend, plus de honderd gulden reparatiekosten dus: tweehonderdvijftig gulden gevonden geld.

Een kwartier later. Sinterklaas stapt aan wal tussen de heen en weer waaiende wimpels en ik neem overmoedig als ik nu ben mijn cd-speler eens kordaat onder handen. Sinds 1987 deed hij het uitstekend en de laatste week zwabbert hij door Bach en Beethoven heen, kraakt, schuurt, en hoest en slaat hele stukken over. Aanvankelijk ga ik in de weer met schroevendraaiers en stukjes ijzerdraad, dan trek ik kordaat alle stekkers eruit, leg de oldtimer op mijn knie en geef hem een flinke mep. Weg ruis. Weg storing. Terwijl ik al aan de aankoop van een nieuwe speler had lopen denken, die ik had zien liggen voor 252,70 euro (ƒ555,95), doet hij het weer als nieuw. Wederom gevonden geld in eigen huis. Wie doet je wat.

Met deze gedachte ga ik de hoofdstad in. Ik moet hem even zien, mijn Zeeheilige. Even in hem geloven, even naar zijn vrouwelijke Pieten kijken die tegenwoordig gelukkig weer zwart mogen omdat zwart in is en ze uit alle windstreken met de kindervriend de zeeziekte trotseerden. Prachtig is hij, onze Amsterdamse Sinterklaas.

Dan zie ik hem in een portiek liggen. Nick, mijn junk uit Ierland. Als ik hem tegenkom, krijgt hij steevast wat van me. Ben ik niet in zijn vaderland geweest? Was ik niet in zijn geboortestad Sligo en in Galway waar zijn zuster woont? Dat heeft hij me toevertrouwd met de gore paardendeken om zijn schouders. Rossig haar en een lief gezicht vol wanhoop. Ik kwam een keer in een opperbeste verjaarsstemming uit het café aan het Spui en hij stond bij Het Lieverdje.

Hier, zei ik, ik ben jarig. En ik gaf hem een tientje. Onder zijn paardendeken haalde hij een mondharmonicaatje tevoorschijn en speelde, terwijl hij achter me aan bleef lopen, `For he's a jolly good fellow...' tot hij bijna over zijn deken struikelde en bij het Maagdenhuis bleef staan, maar bleef doorspelen. Ik liep al bij de Kalverstraat en kon hem nog steeds horen.

`Mijn moeder en zuster sterven van verdriet dat ik niet meer thuiskom, maar waar haal ik het geld voor een ticket vandaan? In Galway is een afkickkliniek...'

Daar ligt hij in een portiek op het Rokin, terwijl honderden vaders en moeders en honderden kindertjes aan hem voorbijlopen. Wat ziet die jongen er uit. Hij zit niet eens, hij ligt. Ik vraag hoe het met hem gaat. Leuke vraag tijdens de voorbijtrekkende fanfare: ik had beter kunnen zeggen: leuk dat je nog leeft en je je niet hebt doodgespoten.

`Nick', zeg ik, `zo gaat het niet. Je moet terug naar huis. Naar je moeder en je zuster en naar die afkickers in Galway. Ik help je. Ik heb onverwacht een heleboel geld verdiend vanochtend, je krijgt van mij dat ticket voor Dublin. Kom overeind. Je gaat met mij mee naar huis. Je neemt een douche. Ik heb nog wel wat kleren van vroeger, dan gaan we maandag naar het verkeersbureau. Alles is mogelijk. Waar een wil is, is een weg.'

Hij gaat zitten. `John, geef me wat geld. Ik heb nu wat nodig. Vijfentwintig gulden, dan ben ik zo weer op de been. Asjeblieft. Twintig gulden. Blijf hier op me wachten, Ik ben zo terug. Je bent een toffe guy, really.' Hij stopt me een porseleinen beeldje in mijn hand omdat het Sinterklaas is. Het prijsje zit er nog aan. Een dapper haantje met een rooie kuif.

Ik trek hem uit de portiek. Zeg, die stinkt wel heel erg. Ik geef hem vijftig gulden. Ik heb geen briefje van vijfentwintig. Wat is vijftig gulden om een jongen te redden die je zoon kon zijn? Weg is hij. Nog meer fanfare. Spaanse edelen. Nog meer pepernoten. Filips de Tweede lazert gelukkig van zijn paard. Ik kan geen Piet meer zien. Ik wacht meer dan een half uur op het Rokin. De zon schijnt door de regen. Geen regenboog. Ik wacht nog een kwartier. Wat ben ik toch een boerenlul. Nu woon ik al dertig jaar in Amsterdam, waarvan de langste tijd in de Nieuwmarktbuurt waar je over de junks struikelt en dan overkomt me dit. Is het nu eens afgelopen? Ga naar huis halvegare. Zet een cd op. Je bent echt niet goed snik. Junkieredder in Amsterdam. Dat je niet braakt van jezelf.

De volgende ochtend kom ik op het Rokin een vage kennis tegen. `Ik zag je staan gisteren bij de intocht van Sinterklaas, met die junk van het Spui met zijn eeuwige paardendeken om. Dood. Net een half uur geleden hebben ze hem opgehaald. Hij had hier de hele nacht onder zijn paardendeken gelegen. Zeker nèt even te veel van het goeie genomen...'