Een politicus kan niet vrij of, beter, ongebonden zijn

Is het ieder voor zich of doen we het samen? Dat is de kernvraag van het nieuwe PvdA-program. Het is ook de vraag die elke fractievoorzitter zijn collega's moet voorhouden. Zeker: men wordt lid van de Kamer `zonder last of ruggespraak', heeft een onmiskenbare eigen verantwoordelijkheid. Maar men maakt ook deel uit van een fractie, staat gezamenlijk voor de uitvoering van het verkiezingsprogram.

Tussen de articulatie van het eigen gelijk en de kracht van het gemeenschappelijk optreden moeten Kamerleden positie kiezen. Wie te makkelijk instemt met de gezamenlijke lijn mist profiel. Wie te vaak zijn eigen weg gaat mist op cruciale momenten de gezamenlijke steun van zijn collega's.

In grote fracties wordt de werkelijkheid in portefeuilles verdeeld. De grenzen van die verdeling worden intern met kracht verdedigd, maar dat zegt vooral iets over het gezag (of het gebrek daaraan) dat men in de buitenwereld als woordvoerder geniet. Gezaghebbende Kamerleden hoeven beginnende collega's niet van hun erf te blaffen. De Kamerleden die het nog niet gemaakt hebben moeten daarentegen wel de grenzen van de machtsverdeling opzoeken. Hun succes hangt mede af van aard en omvang van hun portefeuille. In de interne organisatie vormt de plenaire fractievergadering het tegenwicht tegen al te ver doorgeschoten individualisme. Het `ik, als woordvoerder' wordt daar vervangen door `wij, de fractie'. Als dat goed gebeurt, geeft het steun, verbetert het de kwaliteit van de inbreng, voegt het iets toe.

Fractiediscipline is dan ook allereerst de verplichting zorgvuldig overleg te voeren met de andere leden van de fractie. Het is namelijk ook hùn mening die de woordvoerder verkondigt. Dit spreken voor hele fractie staat vooral dankzij de turbulentie in de media onder grote druk. Naar het woord van Frits Bolkestein: ,,Te veel zenders, te weinig nieuws.'' Met als gevolg dat praatprogramma's en actualiteitenrubrieken meteen een reactie willen, waardoor (als men daar aan mee doet) de consultatie van de collega's pas achteraf plaatsvindt. Gaat het om een behoedzaam publiek optreden, dan is er nog geen man overboord. Maar maakt men daar politiek, dat wil zeggen schept men nieuwe politieke feiten, dan wordt de afwegingsvrijheid van de fractie beperkt. Tijdens de volgende fractievergadering moet dan het openbare optreden van de woordvoerder weer in balans komen met de opvattingen van de fractie als geheel. Zo bezien gaat het minder om fractiediscipline dan om interne democratie.

Mogen Kamerleden dan geen persoonlijke opvattingen hebben, is er dan geen vrij en open politiek debat mogelijk? Over het algemeen zijn media en publiek juist in een opvatting van een politicus geïnteresseerd òmdat hij lid van een fractie is. Baart zo'n opinie opzien, dan is dat niet omdat deze Nederlandse staatsburger wat vindt, maar omdat diens woorden ìn de Kamer politieke consequenties kunnen hebben voor een minister of een heel kabinet. In tegenstelling tot een geleerde of een kunstenaar is de politicus niet `vrij', in de betekenis van `ongebonden'. Niemand kan hem een opinie opdringen, hij maakt zijn eigen afwegingen. In dat opzicht is hij vrij van last en ruggespraak. Maar het collegiaal functioneren in een fractie vraagt dat de vorming van die opinie altijd in wisselwerking gestalte moet krijgen met de collega's die op hetzelfde program gekozen zijn.

Is voldoende in dit interne democratische debat geïnvesteerd, dan behoort de fractiediscipline ruimte te laten voor zwaarwegende individuele opinies. Maar de consequenties daarvan moeten wel eerst gezamenlijk besproken worden. De politieke prijs voor deze `ruimte voor gewetensnood' kan immers zeer hoog zijn. Op z'n minst moeten deze consequenties van afwijkend stemgedrag gezamenlijk worden afgewogen. Dan nog is aan het eind iedereen baas over zijn eigen stem.

De fractievoorzitter doet het in dit opzicht bijna nooit goed. Geeft hij te veel ruimte, gaan te vaak collega's hun eigen gang, dan ontstaat geleidelijk aan het beeld van een gebrek aan regie. De fractievoorzitter wordt dan snel publiekelijk een gebrek aan leiderscapaciteiten verweten. Grijpt de voorzitter te makkelijk in, beperkt hij collega's te vaak in hun bewegingsvrijheid, dan is hij autoritair, een kouwe kikker die zich onvoldoende in de zieleroerselen van zijn collega's verdiept. Het is niet goed of het deugt niet.

Zoals gezegd: uiteindelijk moet er ruimte zijn voor een werkelijk individuele afweging. Ik heb dat als fractievoorzitter indertijd onder meer verdedigd bij de studiefinanciering (Sharon Dijksma), het homohuwelijk (Thanasis Apostolou) en bij de zaak Gümus (een aantal Amsterdamse Kamerleden). Maar wie gebruik maakt van die ruimte, moet dat wel vooraf motiveren ìn de fractie. Dat vraagt nu eenmaal de bijzondere combinatie van een individueel mandaat en een gezamenlijk gedragen politieke verantwoordelijkheid.

Bij een (gematigd) districtenstelsel – waar ik een voorstander van ben – krijgt het individuele mandaat wel een zwaarder accent, maar dat doet aan de betekenis van de collectieve verantwoordelijkheid als fractie niets af. Het Kamerlid komt dichter bij `zijn' kiezers te staan, maar er blijft de noodzaak gezamenlijk het program uit te voeren. Een districtenstelsel zal de samenstelling van de Kamer meer een afspiegeling doen zijn van de regionale verschillen zoals ons land die kent, wat minder grachtengordel, wat meer regio. Maar de binding aan een partij en een program zal ook dan elke keer vragen om een balans tussen tussen `ik' en `wij'. Wie namens anderen het woord voert, moet hen ook de mond gunnen, zelfs al is het vooraf.

Met het vertrek van Rob van Gijzel heeft dit alles weinig te maken. Die vertrok niet omdat hij zich aan de fractiediscipline wilde onttrekken, maar omdat hij zich onvoldoende gesteund wist door zijn fractievoorzitter. Dwars door alle interne en andere spelregels heen geldt dat politiek mensenwerk is. Knapt er iets in de vertrouwensrelatie tussen personen, met name tussen fractievoorzitter en woordvoerder, dan helpen formele spelregels niet meer. Dan telt uiteindelijk slechts zelfrespect.

Jacques Wallage was fractievoorzitter voor de PvdA in de Tweede Kamer van 1994 tot 1998. Hij is tegenwoordig burgemeester van Groningen.