De moraal is niet autonoom

`Alleen oecumenisch humanisme brengt licht', betoogde Paul Cliteur op de opiniepagina van 22 december. Rico Sneller meent dat Cliteur misbruik maakt van reeksen in het oog vallende `religieuze' escalaties, met elf september als dramatisch dieptepunt. N.H.M. Roos kent het begrip oecumenisch humanisme niet. Paul van Velthoven gelooft niet in een seculiere cultuur. En Henk Vroom keert zich tegen een beperking van de vrijheid van godsdienst. Ook ingezonden brievenschrijvers plaatsen kanttekeningen.

`De rol van het oecumenisch humanisme is nog niet uitgespeeld in de Europese cultuur en een revitalisering ervan lijkt een levensvatbaar alternatief voor het theïsme dat ook onder jongeren weet aan te spreken', aldus Paul Cliteur. Hij vindt dat het tijd is voor een `diepgaand onderzoek naar de bronnen van de Europese cultuur.'

Cliteur lijkt te impliceren dat op dat terrein kennelijk nog veel nieuws te leren valt. En daar lijkt het inderdaad op, want `oecumenisch humanisme' was een mij tot nog toe onbekend begrip, laat staan dat ik zou weten wat revitalisering ervan zou inhouden. Als aartsvader van dit gedachtengoed wijst Cliteur Socrates aan, aan wie hij de ontdekking van `de autonomie van de moraal' toeschrijft. Uit de verwijzing naar Plato's Eutrypho blijkt echter dat `autonomie' door Cliteur wordt verstaan als `niet in theologie gefundeerd'. Dat is natuurlijk heel iets anders.

`Autonomie' in de zin van `zelffundering' zou een filosoof met Kant en niet met Socrates dienen te associëren. Socrates, althans zoals door zijn leerling Plato weergegeven, volgde immers de typisch klassiek Griekse gedachte van de eenheid van het ware, het schone en het goede, terwijl inderdaad pas meer dan tweeduizend jaar later Kant een radicale epistemologische scheiding tussen deze drie concepten aanbracht. Daarbij komt, dat de Platoonse interpretatie van Socrates' leer geenszins de enige was. Deze was evenzeer een bron van inspiratie voor de elkaar onderling bestrijdende scholen van de Sceptici, de Cynici/Eudaimonici en de Stoïci.

Het humanisme zoals zich dat in de Renaissance heeft ontwikkeld is sterk beïnvloed door met name de Sceptische en de Stoïsche leer. Waar de eerste school sterk twijfelde aan de objectiviteit van kennis in het algemeen en van morele kennis in het bijzonder, droeg laatstgenoemde een uitgesproken pan(en)theïstische karakter. Alle levende wezens hebben deel aan het goddelijk wezen, waarbij mensen zich van andere levende wezens onderscheiden door hun besef van die verwantschap. Dit besef komt tot uiting in de morele intuïtie, waarin de oorspronkelijke eenheid van de mensheid in de godheid wordt weerspiegeld, alsmede in de religieuze ervaring, waarin het verlangen naar de hereniging met de godheid tot uitdrukking komt.

De tweevoudige grondslag van het humanisme verklaart ook de tweeslachtige relatie ervan tot het christendom. Enerzijds inspireerde de stoïsche invloed het tot een oecumenische houding gericht tegen de splitsing in het Christendom, zoals bij Erasmus; anderzijds leidde de sceptische invloed tot kritiek op godsdienst in het algemeen, zoals bij Montaigne, of tot een objectivering ervan als een sociaal-politiek fenomeen, zoals bij Machiavelli. Aan `oecumenisch humanisme' kan aldus wel een historische betekenis worden toegekend, maar deze zal wel nauwelijks datgene zijn dat revitalisering behoeft, aangezien Cliteur nu juist wil pleiten voor een zuiver seculiere grondslag voor de samenleving.

Cliteurs verwijzing naar de mensenrechten brengt ons evenmin veel verder. Deze figureren immers ook in diverse wereldbeschouwelijke contexten. Duidelijk is echter wel dat Cliteur refereert aan het moderne humanisme, zij het dat hij – zonder nadere toelichting overigens – meedeelt dat ,,Het Humanistisch Verbond van haar kerntaken is afgedwaald'. Het moderne humanisme staat in de eerste plaats individuele en wederzijdse vrijheid en verantwoordelijkheid voor als de essentie van een de mens als redelijk wezen ingeschapen waardigheid voor, waarbij de realisatie daarvan politiek-maatschappelijke ondersteuning behoeft. Dit humanisme is de erfgenaam van het natuurrechtelijk denken van de Verlichting. Wat daar precies aan te revitaliseren valt, is onduidelijk, aangezien de eraan ten grondslag liggende antropologie wetenschappelijk gezien als hopeloos idealistisch en verouderd moet worden aangemerkt.

Dat neemt overigens niet weg dat deze antropologie als politieke ideologie ten nauwste verbonden is geweest met de ontwikkeling van de politieke en juridische instituties van een vrije samenleving en ook hedentendage nog een nuttige functie vervult bij de instandhouding ervan. Maar de idealistische vrijheidsideologie waarvan zij de uitdrukking is, staat principieel op hetzelfde ontologische niveau als religieuze ideologieën. Volgens beide is het menselijke wezen als bron van kennis en zingever van zijn bestaan een niet zuiver empirisch te begrijpen fenomeen. Humanisten zien de mens als een auteur van zijn eigen gedragingen op een wijze die vergelijkbaar is met die waarbij volgens mono-theïstische gelovigen God in vrijheid de wereld heeft geschapen. Het humanisme is, kortom, een geseculariseerde vorm van religie.

Terecht merkten dan ook religieuze critici van de Verlichting op dat het humanisme een godsdienst van de mens is, waarbij de mens op de plaats van God is gaan zitten. Om deze redenen is het humanisme echter principieel weinig geschikt om het bestaansrecht van godsdienstig geïnspireerde politieke ideologieën te ontkennen. Het kan hooguit ontkennen dat er een rationele grond is voor het aannemen van het bestaan van een God of het onderkennen van de ware religieuze leer en op basis daarvan pleiten voor wederzijdse tolerantie in godsdienstig opzicht.

Maar dit betoog mist overtuigingskracht in zoverre het humanisme zelf het menselijk wezen als bovennatuurlijk beschouwt en dus ook niet kan uitsluiten dat de mens beschikt over het vermogen om godsdienst op niet-discursieve wijze als de ware te kunnen ervaren. De humanistische kritiek op de godsdienst berust, met andere woorden, op een rationalistisch vooroordeel dat typisch is voor de Verlichting en dat als zodanig volkomen terecht is gekritiseerd door iemand als Kierkegaard.

Deze kritiek treft even zeer Cliteurs pleidooi voor de autonomie van de moraal. Hij heeft volstrekt gelijk dat de wil van God als zodanig geen argument is. Maar als deze wegvalt, wat is dan de gezaghebbende grondslag van het morele discours? Denken in termen van een zichzelf funderende (de eigenlijke betekenis van autonoom) moraal komt neer op een hopeloos gezoek naar de graal. Het enige alternatief is wetenschappelijk te denken in termen van de sociale functies van moraal.

Cliteur verwijst naar de Zeus-mythe in Plato's dialoog Protagoras volgens welke Zeus de mensheid een samenlevingsmoraal had verleend bij wijze van compensatie van de natuurlijke zwakheden van de mens.

De wens tot overleven is een vruchtbaar uitgangspunt voor een begrip van het moderne recht alsmede de historische ontwikkeling ervan. Ook stelt het iedereen voor een eenvoudige keuze: de moraal van de oorlog of de moraal van de vrede.

Recht als een manier van overleven komt geenszins neer op een slaafse rechtvaardiging van het historisch gegroeide. Bovendien impliceert het ook niet het zonder meer het afwijzen van `vreemde' praktijken als polygamie, vrouwbesnijdenis en sluiering, zoals Cliteur wil. Enige reflectie op de grondslagen van de Europese cultuur kan geen kwaad, maar dan niet alleen om gevestigde waarden, normen en achterhaalde morele denkkaders in stand te houden. En daar lijkt het bij Cliteur op neer te komen.

Prof. mr. N.H.M. Roos is hoogleraar Metajuiridica aan de Universiteit Maastricht.