Bloedvatspel

Eindelijk is het koud genoeg geworden om eens stil te staan bij een fenomeen dat al jaren op behandeling wacht. De neuzen druipen, de tenen tintelen en de oren gloeien als kooltjes. Tijd voor een onderzoek naar de hunting response.

De `hunting response', ook wel de `Lewis reaction' of de `Lewis' hunting response' genoemd kan iedereen kennen uit eigen ervaring. Wie wat langer dan een kwartier met blote handen door de vrieskou durft te lopen kan de jachtreactie deze dagen naar willekeur oproepen. Het helderst is het fenomeen als men door-en-door verwarmd en afgezien van de handen goed beschermd tegen de kou het huis verlaat en zich pontificaal in de snijdende noordooster opstelt. Houd de handen goed in de wind en stel vast dat ze steenkoud worden. Zet nog een half uurtje door en stel daarna vast dat ze opeens weer warm worden. En later weer koud. En weer warm. Enzovoort. Dàt is de hunting response.

Het warm-koud-warm-koud van de jagersreactie is een zogenoemd cyclisch verschijnsel. Het is te beschrijven als een golfbeweging met een karakteristieke frequentie en amplitude. Een typische frequentie is 1,5 tot 5 warmtepulsen per uur en het verschil tussen de laagste en hoogste handtemperatuur kan vele graden Celsius zijn.

De hunting response, vaak ook CIVD (cold-induced vasodilatation) genoemd, komt ook voor in andere extremiteiten tenen, oren, noem maar op maar die lenen zich minder voor de proefopzet waarmee het verschijnsel doorgaans wordt onderzocht. Doorgaans, namelijk, steekt men de op CIVD te testen vinger zonder omhaal in een bekerglas met ijskoud water. Dat werkt het snelst en levert goed reproduceerbare resultaten op. Bovendien kan de rest van de proefpersoon dan behaaglijk warm op een stoel blijven zitten. TNO-onderzoeker dr. H.A. Daanen heeft onlang 250 proefpersonen op warme vingerpulsen onderzocht.

Het ritmisch warm-koud-warm-koud van de hand is, zoals men wel aanvoelt, een spel van de bloedvaten daarbinnen. Gewoonlijk spoelt het warme bloed dat door kleine slagadertjes naar de vingers wordt gevoerd moeiteloos door naar de buitenste buitenlagen van de vingerhuid en keert het, vaak lichtelijk afgekoeld, via kleine aderen terug naar de lichaamskern. Het bijkomende warmteverlies aan het handopervlak komt meestal goed uit, maar bij felle kou ziet het lichaam het kennelijk als ongewenst. Dan wordt de bloedtoevoer naar de huid beëindigd door het openen van een systeem van dwarsverbindingen (anastomosen) tussen slagaderen en aderen: de bloedbanen worden kortgesloten. De huid wordt dan aan zichzelf overgelaten totdat deze kennelijk te ver afkoelt en een ander mechanisme de anastomosen weer sluit.

Zoals het nu is beschreven klinkt het als een weldoordacht regelsysteem dat de extremiteiten adequaat tegen vorstschade beschermt en tegelijk het totaal warmteverlies beperkt. Dat het maar een heel ruw systeem is wordt duidelijk als men niet alleen de vinger of de hand maar de gehele proefpersoon lang en diep laat afkoelen. Dan valt het warm-koud-warm ritme geleidelijk weg en blijken handen en voeten te worden opgeofferd om het leven in de lichaamsromp te bewaren.

Enfin, wie het trefwoord CIVD intikt in een zoekmachine of, beter nog, bij de medisch-biologische databank Medline, vindt allerhande wetenswaardigs. Onderzoek van Hein Daanen bij TNO in Soesterberg neemt binnen de literatuur een opvallende plaats in.

Liever dan met de neus in de boeken vast te lopen besloot het AW-testcentrum eens uit te zoeken wat de eenzame fietser aan praktische steun van het jachtverschijnsel kan verwachten. Hoe zouden onder de thans heersende omstandigheden frequentie en amplitude van de Lewis-golven zich ontwikkelen bij een blootshandse fietstocht van twee uur in de open lucht? Zou het warm-koud-warm überhaupt te meten zijn en hoe zouden de pulsen aanvoelen?

Er was geen betere thermometer voorhanden dan een elektronische gevalletje dat jaren geleden bij Blokker was gekocht. Voor eerder gebruik was de warmtesensor, een temperatuurgevoelige weerstand, ontdaan van alle aanhangend plastic wat de gevoeligheid en reactietijd sterk had verbeterd. Met een pleister werd de kale weerstand op de achterkant van de linkermiddelvinger geplakt. Op het dikste kootje wel te verstaan, het kootje dat aan de kant zit van de wortelbeentjes en dergelijke. Dat leek het besturen van de fiets het minst te hinderen. (Beroepsonderzoekers kiezen, bleek later, de binnenkant van het laatste, het nageldragende kootje.) Er werd volgens de regels ruimschoots geantichambreerd op een freudiaanse divan in een kamer van 15,5 graad Celsius. Daarbij zakte de koottemperatuur langzaam van 27 naar 24 graden maar ontwikkelde zich geen enkele ritmiek. Daarna kon het veldwerk niet langer worden uitgesteld, 't was al bijna nacht en snerpend koud.

Het parcours liep van de Amsterdamse Haarlemmerpoort via Weesperplein en Muiderpoort naar de Schellingwoubrug en weer terug, maar elk ander parcours was natuurlijk ook goed geweest. Van belang is dat de temperatuur aan de buitenzijde van de testkoot bij het zeer kalme fietstempo dat werd aangehouden (misschien 12 km/h) binnen tien minuten was gedaald van 24 tot 2,4 graad Celsius. Een pijnlijke ontwikkeling die in een catastrofe leek te eindigen tot opeens, geloof het of niet, de eerste hunting wave arriveerde. Al voor het Leidseplein stond de meter weer op 8 graden waarbij de koot en de hand er omheen aangenaam warm aanvoelde.

Maar bij het Weesperplein was de temperatuur alweer tot een graad of zes gezakt en in het uur daarna is het niet veel meer geworden. Het bleef pendelen zonder regelmaat tussen 5 en 6,5 graden met een enkele uitschieter. Toen de Haarlemmerpoort weer in zicht kwam stond de thermometer op 4,4 graden. De vingers waren ijskoud, stijf en gezwollen en het had er veel van dat het centrale lichaam een fataal besluit had genomen. Met een laatste inspanning werden de vingers wat heen en weer bewogen om het bloed een duwtje te geven. Het effect was verbijsterend, binnen een paar minuten stond de meter weer op 9,5 graden. De interpretatie laat nog even op zich wachten.