Zoek liever niet naar ziektes

De meeste verhalen in Kruik en kling, het debuut van D. Hooijer, gaan over mensen in de leeftijd waarop hun `hormonen waren teruggelopen in getal'. Dat verhindert hen niet om met grote regelmaat bij elkaar onder de dekens te kruipen en om zich te begeven in driehoeksverhoudingen, met een soepelheid die hoort bij een `one night stand'. En met een grote vanzelfsprekendheid, misschien wel door een verleden in de hoogtijdagen van de vrije liefde, dat in een van de verhalen ter sprake komt.

Hooijer schrijft over vreemde mensen in een meestal herfstige omgeving. De hoofdpersoon van het openingsverhaal is een alleenstaande vrouw in een huis in het bos, gefascineerd is door kelders en – in mindere mate – ongedierte. Onder haar tuinbank slaapt een zwerver die zich op een koude avond aan het raam meldt. Ze wast hem met Biotex, scheert zijn hoofd kaal tegen de luizen en trekt hem haar kleren aan. De volgende ochtend blijkt hij een stugge, maar vriendelijke kunstenaar die uit budgettaire overwegingen voor een tijdelijk buitenleven zegt te hebbem gekozen.

Ze ziet wel iets in hem, maar wordt plotseling ten huwelijk gevraagd door een ander (`Ik vraag je ten huwelijk. Een zakelijk huwelijk mag het zijn. Van mijn kant is het liefde'). Zo vertrekt ze uiteindelijk uit het bos en verhuurt ze haar huis aan de (ex-)zwerver. Die gaat er wonen met zijn moeder, zijn vrouw en zijn vriendin. Kort voor haar vertrek weert ze hem af met de woorden `Love is over'.

Het zijn milde vormen van gekte die de zonderlingen in Kruik en kling sturen, maar zelf kijken ze er nauwelijks van op. De auteur lijkt dat al helemaal niet te doen: ze noteert de gebeurtenissen met een verbazingwekkende achteloosheid, zoals het volgende incident uit het verhaal `De kaptein'. Dat heeft plaats nadat de `kaptein' (die heen en weer vaart tussen Zweden en Nederland in het gezelschap van zijn zoon Wout) in zijn netten een drenkeling heeft opgevist. `s Nachts komt diens ware aard naar boven. `Na het eerste gesnurk stond de vreemdeling op en sloeg zijn gastheer nog meer buiten westen met de vlakke hand. Kalm schakelde hij de `cruise control' uit. Veel minder kalm sloeg Wout 's mans achterhoofd in. [...] Hij zette de cruise control terug, pakte de kist met gereedschap en sneed de man in stukken zo groot als een haring. Die voerde hij aan de vissen, geen haaien, maar de gewone maat schelvis en kabeljauw die men in de winkel ziet liggen.' Al even terloops beschrijft Hooijer de emotionele afwikkeling: `Wout had geen behagen geschept in de moord. Hij hield zich voor dat hij dit niet moest herhalen, een menzenvrezer doodt niet.'

Driehoeksverhouding

De dood van de indringer is maar een bijzaak in het verhaal, waarvan leven, verlangen van de `kaptein' de hoofdmoot uitmaken. Ook hier komt overigens een driehoeksverhouding uit de bus, waarvoor een even elegante als onbevredigende oplossing wordt gezocht. Kleine tekeningetjes die de auteur in de kantlijn maakte, bijvoorbeeld, en die het verhaal een lichte, sprookjesachtige sfeer geven, een procédé dat Hooijer in een ander verhaal ook toepast.

Hooijer schrijft rustig en ook haar karakters bewaren hun kalmte. Ze gebruiken weinig woorden. Af en toe zijn de zinnen in Kruik en kling wat al te nadrukkelijk poëtisch en soms zijn de kuren van haar personages zo bizar dat het verhaal onbegrijpelijk wordt, maar meestal loodst ze de vertelling soepel naar het slot.

Er is een belangrijk verschil tussen `De kaptein' en de rest van de bundel en dat is de plaats waar het verhaal zich afspeelt: op zee. De andere verhalen zijn aards in de meest letterlijke zin. Hooijers huizen staan veelal in het bos. Mensen houden zich bezig met materiële resten, als archeoloog of als stenenslijper. Vocht en vrieskou zijn dominant, het najaar dringt overal in door. De hoofdpersonen zijn zich er meestal zeer van bewust dat hun leven zeker voor helft voorbij is.

Fossielen

Voor sommigen is het einde zeer nabij is, zoals de archeoloog Bart – die zijn huis én zijn vrouw deelt met een goede vriend, maar dat terzijde. In het begin van het verhaal `Spottershuisje' besluit hij zijn in de loop der jaren opgegraven fossielen weer te begraven, precies daar in het bos waar hij ze ooit heeft aangetroffen zodat een latere onderzoeker niet misleid zal worden. `Deze precisie is nutteloos', signaleert Hooijer, `binnen tweehonderd jaar zal het bos onder water staan'. Even later, na Barts veertigste verjaardag, krijgt het verval een naam: leukemie.

Die, en andere ernstige ziektes, komen vaker voor in Kruik en kling, maar ze blijken niet altijd zo dodelijk als ze zich aandienen. Dat is uiteindelijk het belangrijkste thema van de bundel: ergens in de atmosfeer van verval blijkt onheil best te ontwijken; denk niet te snel dat het ergens te laat voor is.

Hooijer richt haar blik op de toekomst, zoals ook al blijkt uit kleine details, zoals het feit dat er in het vorige maand verschenen boek al sprake is van euro's. Ze huldigt de levenswijsheid van de vrouw die aan het einde van het verhaal `Geen spinnenland' naast een half slapende frietboer in het gras ligt: `Durf ik mijn hand te verschuiven over de ribben om de klop te zoeken? Nee, niet naar ziektes zoeken, beter met mijn hand lager en lager onder zijn broekriem door; ook grof maar vrolijker. Nog beter: handen thuis. Híj is moe; hij bovendien, moet roken, heeft de ogen dicht en glimlacht al of hij de nacht met me heeft doorgebracht.'

D. Hooijer komt uit het niets. Afgaande op de (onscherpe) foto achterop het boek is ze een vrouw die ongeveer de leeftijd van haar hoofdpersonen heeft en het ligt voor de hand om haar boek zelf te beschouwen als de vrucht van het optimisme dat veel van haar verhalen verrassend aangenaam maakt. Zo laat Kruik en kling in meer opzichten zien dat het nooit te laat is, zeker voor een debuut.

D. Hooijer: Kruik en kling. G.A. van Oorschot, 192 blz. € 16,–