Zeven oktober is de echte datum

Wat is de politieke achtergrond van de `woede' in de Arabische wereld? Nederlandse auteurs doen een poging het islamitisch terrorisme in een politieke context te plaatsen.

Op reis door het Midden-Oosten constateren politicoloog Paul Aarts en journalist Jan Keulen dat veel `boze Egyptenaren, Jordaniërs, Palestijnen en Marokkanen' niet 11 september, maar 7 oktober als kerndatum noemen, het begin van de Amerikaanse aanval op de Talibaan. Veel moslims zien die actie als `een schakel in een lange keten van westelijke bevoogding en bemoeizucht'.

Aarts en Keulen schrijven dat in het voorwoord van de bundel Islam, de woede en het Westen. Daarmee proberen ze de gebeurtenissen in een context te plaatsen en de discussie over de islam te ontdoen van dogma's en essentialisme: het gaat niet om `het wezen' van de islam, maar om concrete politieke, maatschappelijke en historische factoren. De `woede op het westen', die volgens de islamkenner Bernard Lewis in zijn beroemde en omstreden opstel The roots of muslim rage de Arabische wereld kenmerkt, moet niet worden verklaard uit geloof of Koran, maar als gevolg van `een eeuw van Europees kolonialisme en Amerikaanse dominantie, gemankeerde hervormingen en pijnlijke confrontaties'.

De bundel opent met het brisante pamflet `Wij zijn niet allen New Yorkers' van Mohammed Benzakour (een eerdere versie werd gepubliceerd in de Groene Amsterdammer), waarin hij zich afzet tegen de verkettering van de islam en de gemakkelijke identificatie met de getroffen New Yorkers. Daarna volgen onder meer een stuk van Aarts over de politieke achtergronden van het islamisme, Jan Keulen over de Arabische woede, Thomas von der Dunk over Samuel Huntington en diens botsende beschavingen, en Sami Zenni over islamisme en kapitalisme. Daarnaast krijgt de lezer een tiental korte portretten van fundamentalisten, van de Turk Erbakan tot Bin Laden, door de journalisten Froukje Santing en Maarten Jan Hijmans en de historicus Roel Meijer.

Theologenpaniek

De politieke benadering van de auteurs is meer dan verdienstelijk, zeker vergeleken bij het theologenpaniek die in Nederland toesloeg na 11 september. De onrust en woede in de Arabische wereld heeft behalve met relatieve achterstelling ook alles te maken met de globalisering van het kapitalisme naar westerse snit, die de greep van nationale staten ontstijgt, culturen en identiteiten ontwortelt en van de weeromstuit een tribale, of half-moderne fundamentalistische reactie oproept. Maar in hun poging het conflict in zijn politieke dimensies te plaatsen, schieten de auteurs soms te ver door en reduceren ze het tot een product van `Amerikaanse dominantie'. Het anti-Amerikaanse moralisme steekt tussen de regels de kop op. Een arrogante supermacht krijgt de terrorist die hij `verdient', concludeert de Amsterdamse politicoloog Aarts. Het `verdienen' staat tussen haakjes, maar nog maar net.

Dat het niet gaat om `de islam' waar `iets mis' mee zou zijn is op zichzelf juist, evenals de constatering dat de woede in de Arabische wereld wordt gevoed door de Amerikaanse steun aan Israël. Maar dat is het halve verhaal: aan de orde is een heftige reactie van nieuwe `identiteiten', zoals die van fundamentalistische moslims, die de effecten van globalisering en de opkomst van mondiale `netwerken' op een agressieve manier naar hun hand willen zetten. Die wisselwerking tussen globalisme en tribalisme is prachtig geanalyseerd door Benjamin Barber in Jihad vs. McWorld en natuurlijk door Manuel Castells in zijn invloedrijke studie naar de moderne `netwerksamenleving', waarin eerder dan de nationale staat het internationale kapitaal de drijvende kracht is. Het islamisme zoals dat is vormgegeven door de Pakistaan Maududi en de Egyptenaar Sayyid Qutb is een totalitaire poging om een alternatief aan te dragen voor die liberale globalisering, en wel door de heerschappij Gods (hakimiyyat allah) te vestigen op aarde. Geweld krijgt daarbij een inherente rechtvaardiging. In die zin is er sprake van een `islamo-fascisme', zoals Francis Fukuyama heeft opgemerkt, al staat dit gedachtengoed mijlenver van de klassieke islam.

Ook Keulen, jarenlang correspondent voor de Volkskrant in het Midden-Oosten, doet zijn best terrorisme en islam te scheiden. Hij wijst erop dat vele moslims `wel degelijk iets van de beweegredenen van de terroristen [denken] te begrijpen'. Amerika wordt geassocieerd met politiek-militaire steun aan de repressieve regimes van Saoedi-Arabië en Egypte, met partijdige steun aan Israël en een harteloos sanctiebeleid tegen Irak. Bevorderlijk voor dat anti-amerikanisme is het ontbreken van vrijheid van meningsuiting in de Arabische wereld; Keulen citeert de Libanese dichter Adonis, die het ongelukkige huwelijk tussen Arabieren en moderniteit typeerde als `een woestijn van import en consumptie die de valse schijn wekt van moderniteit'.

In Bin Laden herkent Keulen een nep-religiositeit die ook veel moslims moet zijn opgevallen: hier spreekt een `camerabewuste mysticus' die zichzelf stileert als een profeet, maar intussen keihard en seculier opereert. Hij zou, aldus moslims die Keulen sprak, te goed hebben gekeken naar islamitische soaps op tv. Een interessante waarneming, al past ook hier een kanttekening: zo'n nuchtere kijk op Bin Laden mag gemeengoed zijn onder de geletterde moslims die Keulen sprak, maar hij stelt zelf al vast dat diens opvattingen gedeeld worden in de koffiehuizen. Het religieuze motief is in het islamisme bovendien bijna altijd een vehikel voor politiek, dus op dat punt is Bin Laden niet minder authentiek dan andere anti-westerse ideologen.

Malaise

Over de toekomst is Keulen bezorgd. `Het onbestemde gevoel dat men van alle kanten bedreigd wordt, is levensgroot aanwezig in de Arabische wereld', stelt hij vast. Maar het besef dat die dreiging ook van binnenuit komt, moet bij velen nog rijpen, en het besef dat de huidige malaise ook alleen maar overwonnen kan worden van binnenuit, noemt hij `praktisch afwezig'. Er moeten tegenkrachten opstaan tegen de radicalisering, hoopt hij, het Westen kan daarbij helpen door `niet langer met twee maten te meten'.

Sami Zenni, onderzoekster aan de universiteit van Gent, levert een heldere bijdrage over de verstrengeling van islamisme, kapitalisme en criminaliteit. Dat het doel van fundamentalisten omverwerping van het kapitalisme zou zijn, is een misverstand. `Zowel delen van de reformistische groepen alsook een deel van het gewelddadige islamisme namen ten volle deel aan het voortgaande liberaliseringsproces van de wereldeconomie. De scheidslijn tussen ideologie en puur geldgewin begon steeds vager te worden', aldus Zenni. Dat geldt ook voor Bin Laden, uitvinder van het `beursgenoteerde terrorisme'.

Zenni geeft leerzame voorbeelden van hoezeer een islamistische ideologie gebruikt wordt voor economisch eigenbelang. In Egypte begonnen allerlei `islamitische' investeringsgroepen klanten te trekken, waarvan er één, Al-Rayyan, 200 miljoen dollar verspeelde met speculaties op de beurzen van New York, Frankfurt en Londen. In Turkije worden aan het strand hotels gebouwd volgens `de regels van de islam', met halaal eten en islamitische zwem- en surfpakken.

Ook het radicale islamisme werd meegezogen in de globalisering, en dat vooral in criminele zin. Zenni ziet in Bin Laden `de vleesgeworden symbiose van de djihaad en de gevolgen van de wereldwijde deregulering en globalisering van de economie'. De ideële doelen zijn `ondergeschikt gemaakt aan de regels van een traditionele maffiose economische politiek', een `affairistisch islamisme dat zijn godsdienstige beginselen verliest in de transnationale netwerken van de georganiseerde misdaad'. De jihad wordt steeds meer `puur banditisme'.

Dat is voor een groot deel waar. Tussen Osama bin Laden en Pablo Escobar zijn evenzeer overeenkomsten als tussen hem en Che Guevara. Toch is Zenni's conclusie dat de jihad van Bin Laden `niet veel anders' is dan banditisme, en `een uitwas van de kapitalistische wereldorde', te academisch en onschuldig. Het onderschat het eigen, opportunistische programma van de politieke islam en de utopische wervingskracht daarvan. Zoals banditisme ook niet verklaart waarom de Talibaan zich het hoofd braken over de vraag hoe ze hun religieuze edicten dat vrouwen zich niet door mannelijke artsen mochten laten onderzoeken maar ook zelf geen arts mochten worden, met elkaar konden verzoenen.

Feller geschreven maar minder verhelderend, is het schotschrift van Mohamed Benzakour, die in een zeeziek betoog van leer trekt tegen de Amerikaanse arrogantie en de onderdrukking van de Palestijnen. Is het echt, zoals hij meent, `waanzinnig' om te denken dat militaire actie iets uitricht tegen het terrorisme? En wat moeten we met zijn quasi-gedurfde aanbeveling: `mensen als Bin Laden moet je niet bestrijden, maar voor alles uiterst serieus nemen'? Wie net heeft gelezen heeft hoe diep Bin Laden gezonken is in religieus fanatisme en criminaliteit, zal zijn hoop eerder vestigen op het gematigde hervormende potentieel van de islam: dat aanboren lijkt zinniger dan de spektakelzucht die spreekt uit de tekst van Benzakour.

Paul Aarts en Jan Keulen (red.): Islam, de woede en het Westen. Bulaaq, 192 blz. eur 16,47