Wie zijn we nu nog?

Uitgerust met kakelverse briefjes van Europese bruggen en poorten trekt Nederland de wijde wereld in. Intussen groeit in het verkiezingsjaar na acht jaar paars de desillusie over de landspolitiek. Hoe kan Nederland Europees worden, en toch zichzelf blijven?

De komst van de euro prikkelt de verbeelding: de oude grenzen van het continent vervagen zonder dat we veel weten over de nieuwe omgeving die we nu de onze mogen noemen. Het afscheid van de gulden verloopt vooralsnog zonder hevige emoties en de gedachte dat we straks om de hoek boodschappen doen met een handvol Duitse of Griekse euromunten heeft wel wat. Grote tevredenheid alom, voor geklaag is nu even geen tijd.

Toch spookt in het achterhoofd de gedachte dat we onze monetaire onschuld zijn kwijtgeraakt en straks delen in de zorgen van landen als Italië die wèl weten wat een zwakke munt betekent. Die onrust wordt niet minder nu we het geld echt in handen hebben. Wat een nare biljetten: zo kreukbaar en karakterloos. Het Europa van de toekomst is kennelijk de grootste gemene deler van bruggen en poorten, van fletse beelden die nergens naar mogen verwijzen omdat niemand voor het hoofd mag worden gestoten.

De psychologie van Europa verandert: verre hoofdsteden worden meer en meer tot dagelijkse werkelijkheid. De ruimte waarin we ons bewegen is aan het uitdijen en dus is de behoefte aan richting ook groter. In de maalstroom van economische veranderingen neemt overal de hang naar culturele zelfbespiegeling toe, ook in Nederland. Voor een land dat lange tijd zoveel nadruk legde op een naar buiten gerichte blik is dat een opmerkelijke verandering.

Een teken van die gewijzigde geesteshouding is onder meer het groots opgezette onderzoek Nederlandse cultuur in Europese context, dat naast een twintigtal casestudies vier overzichtswerken opleverde over de `ijkpunten' 1650, 1800, 1900 en 1950. Onlangs werd die reeks afgesloten met een terugblik. In dat deel Rekenschap 1650 - 2000 (besproken in Boeken, 23.11.2001) schrijft de Amsterdamse historicus Niek van Sas over het huidige Nederland: `Het is bezig zichzelf andermaal uit te vinden. Net als in eerdere kritieke perioden, zoals in 1800 en 1900, voltrekt die heruitvinding zich in een karakteristieke dialectiek van eigenheid en openheid'.

Dergelijke herinneringen zijn belangrijk. In de Franse tijd eind achttiende en begin negentiende eeuw, werd in enkele jaren door buitenlandse interventie de eenheidsstaat geschapen. Elke natie, zeker een kleine handelsnatie, is gedwongen zichzelf aan te passen. De opgave is telkens opnieuw onder woorden te brengen wat haar als gemeenschap karakteriseert. Het oude bestel kraakt in zijn voegen en veel zekerheid omtrent het nieuwe hebben we niet, maar dat is volgens Van Sas wel vaker zo geweest.

Dat klinkt geruststellender dan het is. Want misschien groeien de roep om `eigenheid' en de noodzaak van `openheid' uit elkaar, in plaats van op elkaar in te werken. Veel auteurs vragen zich af hoe een grenzeloze netwerk-economie democratisch vorm zou moeten krijgen. De Franse diplomaat en schrijver, Jean-Marie Guehenno, voorspelde begin jaren negentig het `einde van de democratie'. In een wereld waar territorium steeds minder telt, zullen democratische instituties verdampen, zo voorspelt hij.

Vast staat in elk geval dat allerlei vertrouwde arrangementen onder druk staan van een steeds internationalere economie. De aandrang tot liberalisering, nu we één markt en één munt hebben, zal sterker worden. Waar mobiliteit het slagwoord is om verdere groei mogelijk te maken, wordt het denken over gemeenschap moeilijker. Bankpresident Wellink was helder in zijn pleidooi om een streep te zetten door het `poldermodel'.

Nu is die taaie cultuur van overleg natuurlijk voor kritiek vatbaar, maar het is onduidelijk of er ook een nieuw evenwicht tot stand komt. Deze zorg wordt versterkt doordat de paarse kabinetten zo opzichtig hebben gefaald in hun eerste verantwoordelijkheid, namelijk een zorgvuldig beheer van de publieke voorzieningen. Over het spoor is zoveel te doen, omdat de chaos daar een samenvatting is van de talrijke sleetse plekken in deze samenleving. Dat onvermogen toont een structureel probleem, ook al omdat de oppositie geen alternatief weet te bieden.

Van Sas concludeert: `Het is een paradox die misschien past bij de huidige postmoderne conditie dat thans met evenveel gemak onze Derde Gouden Eeuw wordt uitgeroepen als het einde van Nederland wordt geproclameerd'. Misschien staat die `gouden eeuw' wel voor private rijkdom en staat het `einde van Nederland' voor publieke armoede. Zou het samengaan van beide niet kunnen wijzen op een dieper tekort? Komt het zwakke beheer niet voort uit groeiend onvermogen om de eigen instituties vorm te geven in een steeds internationalere markt?

Het openbare leven ziet er rustig uit, maar onmiskenbaar voltrekt zich een grote onthechting. We leven in een overgangstijd: de façades van onze instituties lijken onveranderd, maar de leegte is voelbaar. Of het nu gaat om kennisoverdracht, vervoer, verzorging of ordehandhaving, overal heerst een gevoel van malaise. De rust in het parlement doet onwerkelijk aan, omdat er buiten zoveel in staat van verandering verkeert. Of dringen politici juist naar het veilige midden, en klampen ze zich aan elkaar vast, omdat de onzekerheid groter is dan menigeen wil erkennen?

Toegegeven, dit zijn aarzelende waarnemingen. Het blijft zoeken naar woorden om de huidige tijd te omschrijven. Maar wie in een keur van recent verschenen boeken leest, wordt getroffen door een allerwege gedeelde scepsis over het publieke leven in Nederland en een meer dan gemiddelde afkeer van het democratische proces zoals dat nu vorm krijgt. Dat kan niet onopgemerkt blijven in dit jaar van verkiezingen, waarin eigenlijk zo weinig te kiezen valt, omdat de rolverdeling lijkt vast te staan.

De staatsrechtgeleerde en publicist C.W. Couwenberg stelt in Nationale identiteit: van Nederlands probleem tot Nederlandse uitdaging vast dat `politiek is verschrompeld tot beheer en bestuur van de bestaande orde' en `partijpolitiek is meer dan ooit doen alsof partijverschillen er toe doen'. In een meer algemene zin is hij kritisch gestemd over de `effenheid van ons openbare leven dat maar zwakjes rimpelt onder de wind van de grote geestesbewegingen in de geschiedenis'.

Hij pleit voor een hernieuwde bezinning op de eigen identiteit, die hij omschrijft als `het verhaal van een zich ontwikkelend nationaal zelfbesef'. Het taboe op deze vragen is volgens hem weggevallen, onder meer als reactie op de toenemende Europese en mondiale integratie. De kern van zijn kritiek verwoordt hij zo: `Opvallend voor onze nationale identiteit is het samengaan van een sterk ontwikkeld moreel zelfbewustzijn – het gidslandcomplex is daarvan een bekende uiting – met een saillant gebrek aan cultureel zelfbewustzijn'. Daarvoor heeft hij wel een verklaring: `Het heeft te maken met het feit dat onze cultuur de enige in Europa is die niet of nauwelijks beinvloed is door de Romantiek'.

Zo gaan we slordig om met onze taal, zeker als die houding wordt vergeleken met die van de Vlamingen. Couwenberg verwacht veel van een nauwere culturele samenwerking met de zuidelijke buren en gaat nog een stap verder: `De Groot-Nederlandse gedachte die vroeger gold als een luxe-gedachte van romantici, kan in de zich ontwikkelende Europese context een overlevingsstrategie worden'. Op het telraam van de macht maken 22 miljoen Nederlandstaligen vast meer indruk, maar hoe zo'n Nederlands-Vlaamse politiek zou uitwerken op de toch al precaire verhoudingen in België vraagt Couwenberg zich niet echt af.

Het culturele zelfbewustzijn in Nederland moet inderdaad worden geprikkeld, en dat is meer dan een oefening in zelfbevestiging. Kennis van het verleden maakt duidelijk hoe kwetsbaar een open samenleving is en hoe recent sommige culturele verworvenheden zijn, die we zo graag aan anderen voorhouden. Wie bijvoorbeeld de studie leest van Angelie Sens `Mensaap, heiden, slaaf' Nederlandse visies op de wereld rond 1800 en de worsteling met de slavernij tot zich laat doordringen, die weet dat historisch inzicht niet de onaantastbaarheid maar juist de breekbaarheid van de beschaving bloot legt.

Het pleidooi voor cultureel zelfbewustzijn – opgevat als de verdediging van onze rechtsorde, een dwingender confrontatie met het eigen verleden en een zorgvuldiger omgang met de eigen taal – moeten we ter harte nemen. Maar het is geen afdoende antwoord op de vragen die de Europese integratie stelt. Het democratische tekort dat zichtbaar is in ons land vraagt om een zelfonderzoek dat verder strekt dan het domein van de cultuur.

Ook de historicus Thomas von der Dunk, niet te verwarren met zijn vader H.W. von der Dunk, levert scherpe kritiek in zijn aanstekelijke bundeling van opstellen Alleen op de wereld: de Nederlandse worsteling met zichzelf, God en de wereld. Zo schrijft hij over de hang naar het midden in de politiek: `deze beleidsvrede ondermijnt op den duur het parlementaire bestel, waarvan de legitimatie allereerst op het bestaan van tegenstellingen is gebaseerd'. In de gedepolitiseerde werkelijkheid van Nederland rukken de `interim-managers' op, die een pijnlijk gebrek aan kennis compenseren met een ongebreideld machtsstreven. `Een dergelijke gang van zaken, die de burger de laatste jaren keer op keer van wezenlijke beslissingen buitensluit, betekent uiteindelijk het einde van de politiek'.

Het antwoord ligt niet in staatkundige vernieuwing. Dat is een verouderd idee, want alle nadruk op procedures verwijdert de politiek alleen maar verder van de burger. Zou de stedelijke democratie opveren door een gekozen burgemeester of zou het net zo gaan als bij al die referenda, namelijk een snel tanende belangstelling? Daar ligt het wezenlijke probleem niet, het gaat erom wat de politici ons voorhouden. Waaraan appeleren ze? Von der Dunk heeft gelijk: `De kerngedachte van een politieke beweging dient immers betrekking te hebben op de aard van de samenleving, niet op de structuur van de staat; deze hoort slechts een afgeleide te zijn, een middel, niet het doel'.

Waar Couwenberg het dus vooral zoekt in cultureel zelfbewustzijn, legt Von der Dunk nadruk op het primaat van de politiek. En toch maakt ook hij het zichzelf niet moeilijk genoeg. De politiek tendeert naar het midden, omdat de meeste volksvertegenwoordigers haarfijn aanvoelen dat partijdigheid en polarisatie op weerzin stuiten bij de kiezer. De rol die Wim Kok zich heeft aangemeten is een rol die hem ook wordt tóegemeten: de afstand tussen burgers en bestuurders is niet zo groot, ze delen in dezelfde onzekerheid.

Overal haakt men naar symbolen die kunnen verenigen. Zie onze omgang met de monarchie. Von der Dunk merkt daarover op: `Waarin komt dit diepe geloof in onpartijdigheid sprekender tot uitdrukking dan in de kritiekloze aanhankelijkheid jegens onze nationale Heilige Familie, het koninklijk huis'. Met alle ironische stijlmiddelen die hem ter beschikking staan – en dat zijn er iets te veel – laat hij de problematische rol van de monarchie in een democratische omgeving zien.

Hij ontmantelt met overgave de mythe van God, Vaderland en Oranje: `Zowel de bewering dat de Oranjes vanouds de nationale eenheid zouden belichamen, als dat zij eveneens vanouds tegenover de regenten voor de belangen van het volk pal zouden hebben gestaan, wordt door de geschiedenis gelogenstraft'. Von der Dunk toont overtuigend aan dat op talloze momenten de democratie moest worden bevochten op de monarchie. Tot op de dag van vandaag wringt het: `de parlementaire monarchie wil het uitgangspunt dat alle mensen gelijk geboren zijn met het uitgangspunt dat toch niet alle mensen gelijk geboren zijn combineren'.

Ook Couwenberg is kritisch over het Oranjehuis: `Het geldt in veler ogen nog als een symbool van onze nationale identiteit. In staatkundig opzicht is dat zeker het geval, in cultureel opzicht veel minder. Het heeft nauwelijks gefungeerd als bron van inspiratie voor onze taal en cultuur'. In dat opzicht deelt het koningshuis in de door hem onderzochte combinatie van veel moraal en weinig cultuur, zoals de kersttoespraken van Beatrix illustreren.

Van de kritiek op de monarchie en vooral op de manier waarop die nu functioneert, zal straks niet veel worden vernomen als we worden bedolven onder een deken van festiviteiten rond het huwelijk van de kroonprins. Hoezeer de monarchie ook botst met democratische grondbeginselen en hoezeer conflicten het koningshuis hebben aangetast, het is zonneklaar dat het instituut voor velen nog steeds een bindende werking heeft. Het Oranje-gevoel geeft een goede indruk van de hang naar onpartijdigheid, die geen enkele politicus straffeloos kan negeren.

In die anti-politieke atmosfeer is in het afgelopen decennium een democratisch tekort ontstaan. De kabinetten van Kok waren bijzonder omdat ze het hele politieke spectrum omvatten, het waren regeringen zonder oppositie. De uitkomst van deze samenklontering is een beweging die de roep om directe democratie combineert met een `nee' tegen tegen de onbeheersbare buitenwereld. Leefbaar Nederland dankt zijn opkomst aan het plichtsverzuim van een politieke elite die er niet in slaagt heldere beelden op te roepen van een Nederland dat zich naar een nieuw gesternte voegt en toch zichzelf blijft.

Nederland moet zichzelf opnieuw uitvinden. Hoe kan het verhaal van deze gemeenschap worden doorverteld, zonder met de rug naar Europa te gaan staan? De wijze waarop concurrerende ideeën daarover vorm krijgen is een andere dan de partijenstrijd uit de jaren zestig en zeventig, maar vraagt wel om een herwaardering van het politieke en culturele debat, waar Von der Dunk en Couwenberg op uit zijn. Want hoezeer we de buitenwereld tot ons door laten dringen, de verwerking van al die invloeden zal afhangen van de betrokkenheid van burgers en bestuurders, die nu lijdzaam toezien hoe waardevolle instituties worden uitgehold. De zorg voor zaken als ruimtelijke inrichting, veiligheid, onderwijs, openbaar vervoer en sociale zekerheid, kan niet aan anderen worden gedelegeerd. Daarom is zelfrelativering lang niet in alle opzichten een verstandige houding.

Maar beide auteurs hebben onvoldoende oog voor de rol die Europa zou moeten spelen. De Europese Unie zoekt naar een constitutie die bescherming moet bieden aan de lidstaten. Het gesprek over de instituties duurt nu al een halve eeuw en zal nog lang doorgaan. Al wordt nu gedacht over een grondwet, de kansen op een levendige democratie zijn in Brussel en omstreken voorlopig beperkt. De eenwording is vooralsnog een project van elites en zo kan het anti-politieke sentiment worden gevoed.

Met de gemeenschappelijke munt hebben de nationale regeringen veel macht uit handen gegeven. Het Nederduitse model van een centrale bank die zelfstandig zijn koers bepaalt is nu van toepassing op geheel Europa. Zolang het economische tij voorspoedig is zal dat onopgemerkt blijven, maar de machteloosheid in geldzaken wordt een probleem voor de regeringen wanneer het tegen zit. Dan kan `Europa' aanleiding worden voor populistisch verzet van burgers die zich verraden voelen.

De Europese integratie moet de levensvatbaarheid van de nationale staten dienen. Die dragen immers het geheel. De conflictvermijding die binnen de Unie wordt nagestreefd zal alleen een duurzaam succes zijn als de democratie in de lidstaten verankerd blijft. Niet alleen in Nederland, maar ook in andere landen zien we een uitholling van het parlement, die een bedreiging vormt voor een verdere politieke toenadering. Want alleen samenlevingen met politiek en cultureel zelfvertrouwen staan open voor de buitenwereld.

De gok van de monetaire eenwording is dat de nieuwe instituties op den duur wel de instemming van de burgers verwerven. En de hoop is dat daarmee ook verdergaande vormen van politieke eenwording mogelijk worden. Daarmee wordt een stabielere omgeving gecreërd waarin parlementaire democratieën zich kunnen ontplooien en de schokken van een wereldwijde economie kunnen verwerken. Het scheppen van een constitutie waarbinnen de eigenheid en openheid van de lidstaten opnieuw kunnen samengaan: zo moet het doel van de eenwording worden omschreven, nu we in de ban van de munt zijn geraakt.

C.W. Couwenberg: Nationale identiteit. Van Nederlands probleem tot Nederlandse uitdaging. Civis Mundi Jaarboek 2001, Damon, 172 blz. € 14,95

Thomas von der Dunk: Alleen op de wereld. De Nederlandse worsteling met zichzelf, God en de wereld. Van Gennep, 285 blz. € 14,90