Uitkeringsfabriek

Betrekkelijk geruisloos voor de buitenwereld is de zoveelste reorganisatie-operatie in de sociale zekerheid begonnen. Onder de inmiddels – door ervaring wijzer geworden – tot argwaan stemmende trefwoorden `overzichtelijker, klantvriendelijker, effectiever en doelmatiger' zijn per 1 januari van dit jaar de arbeidsbureaus opgeheven en de verschillende uitvoeringsinstellingen voor de sociale uitkeringen opgegaan in één overheidsorganisatie: het Uitkeringsinstituut Werknemersverzekeringen.

De uitvoering van de sociale zekerheid is een weinig tot de verbeelding sprekend onderwerp. Lange tijd is de publieke en politieke aandacht beperkt gebleven tot de hoogte en de duur van de uitkeringen. Hóe deze verstrekt werden en hóe de regels werden nageleefd, was een zaak van secundair belang. Totdat de parlementaire enquête naar de uitvoeringsstructuur van de sociale zekerheid, begin jaren negentig, aan het licht bracht dat het buitensporige beroep op sociale uitkeringen in Nederland voor een belangrijk deel kon worden toegeschreven aan de wijze van uitvoering. Het ontbrak de georganiseerde werkgevers en werknemers die hiermee belast waren aan `countervailing power'. De onstuimige groei van de WAO kon ontstaan doordat de sociale partners er een wederzijds belang bij hadden overtollige werknemers in de relatief gunstige arbeidsongeschiktheidsregeling onder te brengen. De kosten werden afgewenteld op de collectiviteit.

Terecht is daarom destijds gekozen voor het weghalen van de uitvoering bij de organisaties van werkgevers en werknemers. Conform de heersende trend werd gekozen voor privatisering. Dat getuigde niet van veel inzicht, want in de wet vastgelegde sociale zekerheidsrechten laten zich moeilijk verenigen met private uitvoerders. In de politiek bleven `hoogte en duur' bovendien de bekende mantra's. Het werd er dus niet beter van, en misschien wel slechter. Vandaar dat de zaak nu opnieuw op de schop gaat. Er komt een scherpe afbakening tussen de uitvoering – die weer in publieke handen komt – en de reïntegratie of bemiddeling naar werk, waarvoor ook particuliere bedrijven kunnen worden ingeschakeld.

Het lijkt een voor de hand liggende constructie, maar scepsis is op zijn plaats. Niet eerder is op een dergelijk grote schaal gerenationaliseerd als nu gebeurt met het laten samengaan van alle (semi)private uitvoeringsinstellingen. Het betekent bovendien de vierde grootschalige reorganisatie bij de uitvoering van de sociale zekerheid in tien jaar tijd. In een proefschrift waarschuwde de Twentse bestuurskundige Fenger vorig jaar voor `veranderingsmoeheid'. Hij voorzag een verdere demotivatie van het personeel als gevolg van telkens nieuwe aanpassingen.

Weerzin van het betrokken personeel tegen verandering mag geen reden zijn om noodzakelijke stappen niet te zetten. Van belang is dan wel dat zo'n nieuwe reorganisatie met de nodige overtuigingskracht wordt ingevoerd. Dat laatste valt te betwijfelen. Nog altijd is sprake van een weinig helder concept. De nieuwe uitvoeringsstructuur heeft veel weg van een tropisch etagebos. Allerlei bestaande regelingen en instanties zijn op elkaar gestapeld, terwijl waarschijnlijk beter aan een totaal nieuwe organisatie begonnen had kunnen worden.

Verontrustender is dat de veranderingsmoeheid ook de politiek is gaan beheersen. De nieuwe publieke uitkeringsorganisatie gecombineerd met `marktgerichte' nieuwe arbeidsbureaus is een typisch product van paars, dat alle partijen tevreden poogt te stellen. Maar of het werkt is een tweede. Typerend was de opmerking van Eerste-Kamerlid Jaarsma (PvdA), die eind november bij de behandeling van de voorstellen uitriep absoluut niet te kunnen overzien waartegen zij `ja' ging zeggen. Slechts omdat `nee' tot nog meer chaos zou leiden, stemde de PvdA-fractie voor, beaamde zij in het debat.

Onder dit gesternte is een nieuwe majeure reorganisatie in de sociale zekerheidsindustrie, waarin tientallen miljarden euro's omgaan, ter hand genomen. De voorbereiding van de volgende kan alvast beginnen.