Toevals banaliteiten

In een serie artikelen over vertaalde klassieken deze week `Grote Verwachtingen' van Charles Dickens (vert. Eugène Dabekaussen en Tilly Maters, L.J. Veen, 55 blz. € 31,72)

Al op de eerste bladzijde van Dickens' Grote verwachtingen is het smullen geblazen. De wijze waarop de beruchte moralist met enkele pennenstreken zijn hoofdpersoon neerzet, is van een ambachtelijk meesterschap waar je u tegen zegt. Een onheilspellend decor, een paar goeie grappen, en al na twee alinea's kennen we de jonge Pip als een tobberig kind dat niets begrijpt van de tekens die het lot hem geeft. Geenszins een kind als een onbeschreven blad dus, maar een laf en weifelend joch met een aangevreten hart dat hongert naar moed en mededogen.

Dickens is ronduit wreed voor zijn held, niet enkel waar het diens lotgevallen betreft, maar ook in de reflecties waartoe hij zijn ik-figuur dwingt. Het is een even knap als noodzakelijk staaltje van de schrijver om de lezer zo op afstand te houden van dit personage, want wie gewend is meelevend te lezen zou de moed wel eens niet meer op kunnen brengen om zich aan Dickens' zoveelste variatie op het `Boontje komt om zijn loontje'-thema te zetten.

Het is dan ook de echte hoofdrolspeler, Het Toeval (dat zich bij Dickens zo graag openbaart in dwangmatig handelende karakters), dat op die eerste bladzijden een minder geslaagde entree maakt. Een ontsnapte misdadiger kruist het pad van Pip, als deze toevallig wat staat te mijmeren op een kerkhof in een moeras. Dat het kerstavond is, kan er ook nog wel bij. Met een beetje fantasie ken je hier al de halve constructie die Dickens gebruiken zal om het noodlot naar zijn hand te zetten, en rest je enkel nog je te laven aan zijn stijl. Die misdadiger zul je, wat de schrijver ook probeert, niet kunnen vergeten, en naar diens invloed op Pips lotgevallen ga je, ook al blijft de boef onwaarschijnlijk lang uit beeld, steeds minder gissen. Gelukkig echter zijn er ook lezers die zelf regelmatig geraakt zijn door de beestachtige banaliteiten waarvan Het Toeval zich graag bedient, en die kunnen, boef of geen boef, hun lol met deze roman bijna niet op.

Snobistisch meisje

Dickens publiceerde Grote verwachtingen eerst als feuilleton, niet in de laatste plaats om er flink aan te verdienen, en meestal leveren dergelijke ondernemingen flinke lappen bladvulling op. Merkwaardig genoeg staat er in deze pil nauwelijks een hoofdstuk te veel. Vooral het eerste deel, waarin de opkomst van de jonge Pip wordt voorbereid, is ronduit fantastisch qua dosering en spanningsopbouw. Die `grote verwachtingen' waarvan de titel rept, moeten het laffe joch het geloof bieden dat hij in staat zijn zal om aan zijn sociale status te ontsnappen.

Het ideaal dat Pip koestert – een edelman zijn – wordt in hem aangewakkerd door een jong snobistisch meisje, dat onder de hoede van een excentrieke oude dame in een spookachtig huis resideert. Al te veel van het verhaal wil ik niet prijsgeven, want daar wordt de toekomstige lezer de dupe van, maar de introductie van beide dames doet ons de boef uit het begin bijna vergeten, en de wijze waarop de oude heks via de jonge schone de arme Pip een loer draait is even origineel als hartverscheurend – mits je tegen dik aangezet melodrama kunt.

Het er dik bovenop leggen is een kunst apart, en hierin was Dickens ronduit een meester. Zo wordt het immer vreselijke weer – alsof Engeland de weergoden ooit voorgoed tegen zich in het harnas heeft gejaagd – een duivel op zichzelf. Zo is Londen, waar Pip zich overgeeft aan zijn Verwachtingen nadat hem een geheimzinnig kapitaal ten deel is gevallen, op elke straathoek even smerig en vervallen. En zo is het platteland, waar de jonge Pip opgroeit en de oude Pip zijn Waterloo vindt, volkomen onherbergzaam en louter bevolkt met karikaturen. Maar de veelzijdige stijl van Dickens weet al deze overdaad smakelijk te houden.

De opkomst en ondergang van Pip wordt begeleid door een bonte stoet personages. En gezegd moet dat deze soms al te potsierlijk zijn. Vooral het `ouderlijk huis' van de jongen is wel heel zwaar aangezet. Een weesjongen die bij zijn oudere zuster opgroeit zou op een spatje mededogen mogen rekenen. Tenslotte is het wicht zelf ook wees. Maar de wijze waarop de steile trien haar broertje (en ook haar veel te goedig neergezette echtgenoot) mishandelt is al te gortig, en de manier waarop Het Toeval wraak op haar neemt is zelfs voor de lezer die graag zoete koek slikt teveel.

Ontmaskering

De vrouwenhaat die Dickens in dit boek zo briljant botviert op de portretten van de oude heks en de jonge deerne, vliegt hier finaal uit de bocht. Maar goed. De aandacht van de schrijver gaat natuurlijk uit naar de jongen die zijn afkomst verloochent, een zonde waarvoor Dickens geen genade kent. Het oorspronkelijke slot – door de vertalers als appendix opgenomen – maakt de laatste alinea's van Pips onontkoombare ontmaskering dan ook onwaarschijnlijk wreed. Bovendien is het nogal kort door de bocht geschreven, alsof de schrijver het boek goed zat was. Vandaar misschien dat hij een nieuw slot schreef voor de boekuitgave, waarin een minder genadeloze punt gezet wordt achter deze prachtig geschreven geschiedenis.

Ook de nieuwe Nederlandse vertaling is verrukkelijk, en nergens te modern. De onverlaat die even door het eerste hoofdstuk bladerde en daarna opmerkte dat de tekst hinderlijk dicht bij het Engels blijft, liet zich ongetwijfeld van de wijs brengen door de hoeveelheid dialoog in het begin. Dat dialect in dialoogvorm in vertaling niet wil klinken is algemeen bekend. Het koeterwaals dat dit oplevert maakt daarbij maar een minimaal deel uit van dit boek. Dickens' Grote verwachtingen is in deze versie dan ook een heerlijk (voor)leesboek voor die ontelbare donkere dagen die volgen op een typisch Hollandse kerst.