Schipperen voor het goede leven

In augustus 1641 veroverden Nederlandse troepen de Angolese hoofdstad Luanda op de Portugezen. Die actie was op het randje van verraad. De inkt van het vredesverdrag tussen de Republiek en het zojuist herstichte Portugese koninkrijk was nog maar nauwelijks droog. Maar de Nederlandse kolonies in Brazilië konden niet zonder een regelmatige aanvoer van Afrikaanse slaven en de tijd waarin het nieuws officieel naar Brazilië onderweg was bood Johan Maurits van Nassau, de legendarische bewindvoerder van het Braziliaanse Pernambuco, de kans om de Portugezen nog één slag toe te brengen. Lang hebben de Nederlanders er niet van geprofiteerd. Na precies zeven jaar zouden ze door de Portugezen weer uit Luanda worden verdreven.

Over die zeven jaar gaat de grote roman Een roemrijke familie van de Angolese schrijver Pepetela – een welkom pseudoniem voor de schrijver die officieel Arthur Carlos Maurício Pestana dos Santos heet. Pepetela heeft zijn verhaal opgebouwd rond de hybridische figuur van de Vlaming Baltasar Van Dum, de belangrijkste koopman van Luanda, groot geworden in de slavenhandel. Zonder evenwichtskunst kan Van Dum het niet stellen. Hij moet schipperen tussen de Portugezen, de verschillende inlandse vorsten en nu ook de Nederlanders die hem de twijfelachtige eer aan doen hem als één van de hunnen te beschouwen, maar als katholiek en Portugezenvriend tegelijk niet helemaal vertrouwen.

Die ambiguïteit is kenmerkend voor het boek en vormt er zelfs het thema van. Slechts weinig mensen zijn bij Pepetela mannen of vrouwen `uit één stuk'. Ze hebben allemaal hun tweeslachtigheid. Balthasar is Vlaming èn `Portugees', maar ook – en misschien wel juist daardoor Angolees. Hij is getrouwd met een inlandse vrouw, bij wie hij een schare kinderen heeft, aangevuld met een bijna onoverzienbare rij bastaarden, verwekt bij de slavinnen op zijn erf. Maar zijn vrouw mag dan zelf zwart zijn, ze is in in veel opzichten racistischer dan haar man. `Weer eentje die het ras achteruit laat gaan', verzucht ze wanneer een van haar zoons een kind verwekt heeft bij een Afrikaanse vrouw.

De Portugezen moeten schipperen met de Afrikaanse werkelijkheid, en de steile Hollanders vergaat het al net zo. De inlandse stamhoofden schipperen tussen Portugezen, Hollanders en elkaar. De katholieke paters schipperen tussen het ware geloof en de macht van de Afrikaanse magie, en onder hun toog tussen kuisheid en sensualiteit. De slaven schipperen tussen hun (soms ingewilligde) hoop op vrijheid en de voordelen van trouw aan hun meesters. En de vrouwen schipperen tussen hun eer en hun verlangen, en wanneer ze eenmaal getrouwd zijn, tussen openbare ondergeschiktheid en binnenskamerse macht.

Een roemrijke familie is een lofzang op die tweeslachtigheid, die wijzer is dan de naïeve rechtlijnigheid die graag ergens pal voor staat, onder het borstklopperige motief niet anders te kunnen. De mildheid waarmee Pepetela zijn personages behandelt, onthoudt hij de calvinistische dominees, de Hollandse zeloten en een enkele achterbakse pater die onder de Afrikaanse zon geen duimbreed van hun kanselprincipes willen wijken. Even veelzeggend is het dat hij zijn verhaal laat vertellen door de lijfslaaf van Baltasar Van Dum, een halfbloed die zijn zoon had kunnen zijn.

De nuances van het gemengde bloed en een hybridische cultuur zijn volgens Pepetela kenmerkend geworden voor het hedendaagse Angola, en ze zijn ook kenmerkend voor hemzelf. Voortgekomen uit een geslacht van Portugese kolonisten, nam hij actief deel aan de bevrijdingsstrijd tegen het moederland en was hij na de dekolonisatie politiek actief, onder andere – zo schrijft vertaler Harrie Lemmens in zijn zeer informatieve nawoord – als staatssecretaris van onderwijs. Als Portugees èn Afrikaan werd hij – net als Van Dum – Angolees: evenzeer geworteld in de Europese moderniteit als in de inlandse tradities, evenzeer `zwart' als `blank'.

Het brede panorama van Een roemrijke familie biedt Pepetela – oorspronkelijk de schuilnaam van de schrijver tijdens de guerrilla-strijd – de nodige ruimte om de subtiliteiten van zo'n hybridische samenleving uit te spinnen. Niets wat levensvatbaar wil zijn, is bij Pepetela (letterlijk) zwart of wit. Dat geldt ook voor het morele gelijk of ongelijk van de geschiedenis. Iedere vloek of zegen is gemengd en niemand is ooit volledig schuldig of onschuldig. De Afrikaanse slavenhandel werd niet door Europeanen uitgevonden, al waren zij wel verantwoordelijk voor de grootschalige commercialisering daarvan. Het blanke racisme verschilde niet zo heel veel van het zwarte tribalisme en ook op oorlog, onderdrukking en wreedheid hadden de Europeanen niet het patent. Zij overtroffen zij de Afrikanen misschien in de dodelijke efficiëntie ervan, maar niet in de harteloosheid jegens de `anderen' die er het slachtoffer van werden.

Pepetela's oeuvre werd vier jaar geleden werd onderscheiden met de Camóes-prijs, de grootste literaire bekroning van het Portugese taalgebied, en recentelijk met de Prins Claus Prijs. Die onderscheidingen verdiende hij minder vanwege de literaire verfijning van zijn werk dan vanwege de morele lading ervan. Pepetela is een boeiend verteller die het brede spectrum van zijn familiesage volledig onder controle heeft, maar hij is geen vormvernieuwer of groot stilist. Hij schiep in zijn oeuvre een literatuur die de ziel van zijn land wil uitdrukken en de lijnen uitzet voor een geslaagde samenleving. Maar de lessen daarvan zijn universeel genoeg om boven de Angolese werkelijkheid uit te stijgen. Ze maken Een roemrijke familie tot de drager van het diepe inzicht dat het goede leven altijd schippert en nooit ergens zó pal voor staat dat het geen kant meer op kan.

Pepetela: Een roemrijke familie. Uit het Portugees vertaald door Harrie Lemmens. Meulenhoff, 445 blz. € 26,55