Roemenië werd per minuut wat kleiner

Een oorlog winnen is aanzienlijk gemakkelijker dan de vrede winnen – daarvan had de wereld al overtuigd moeten zijn na afloop van de Conferentie van Parijs van 1919. De Conferentie van Parijs, of de Vrede van Versailles zoals ze in de volksmond heet (naar de deelafspraken die met Weimar Duitsland werden gemaakt), is de moeder van alle vredesverdragen. De geallieerden van de Grote Oorlog troffen er een regeling om Europa en zijn koloniën definitief te vrijwaren van oorlogsgeweld.

Iedereen die wat te zeggen had, en iedereen die wat te zeggen wilde hebben, was er. De grote staatsmannen van dat moment onderhandelden dag in dag uit, zeven maanden lang. Delegaties tot uit de verste hoeken van de wereld kwamen hun zaak bepleiten. De resultaten waren indrukwekkend: nieuwe landen verschenen op de kaart (Polen, Joegoslavië, Tsjechoslowakije), de Volkenbond en de Internationale Arbeidsorganisatie werden opgericht, vredesverdragen met Oostenrijk, Duitsland, Bulgarije en Turkije werden getekend en de zionisten kregen hun Palestijnse mandaat. `De wereld had nog nooit zoiets gezien en de wereld zou nooit meer zoiets zien', schrijft de Britse historica Margaret Macmillan in haar geschiedenis van de vredesconferentie – goed geschreven, onderhoudend en met oog voor het (soms absurde) detail.

Toverwoorden

De ambities van de belangrijkste onderhandelaars (de leiders van Engeland, Frankrijk en de Verenigde Staten) gingen ver. De oude machtspolitiek had afgedaan. Collectieve veiligheid en zelfbeschikking waren de nieuwe toverwoorden. De maanden in Parijs waren de mooiste van mijn leven, zou de Britse premier David Lloyd George later zeggen. De heren genoten ervan. Vrouwen speelden geen rol. Koningin Marie van Roemenië, naar Parijs begeleid door haar drie dikkige dochters, deed nog een poging de Amerikaanse president Woodrow Wilson van het belang van de Roemeense zaak te overtuigen. Ze nodigde zichzelf uit op de lunch, maar arriveerde met haar gevolg van tien personen ruim een half uur te laat. `Iedere minuut die voorbijging', noteerde een van de disgenoten, `zag ik aan de uitdrukking van de president dat er weer een stukje van Roemenië werd afgesneden.'

Dat is zo ongeveer het beeld van de vredesconferentie: enkele heren op stand die eigenlijk van toeten noch blazen wisten en en passant over het lot van de wereld beschikten. Macmillan knaagt aan deze interpretatie maar haalt ze toch niet geheel onderuit. Talloze anekdotes bevestigen de bizarre onkunde en naïviteit van 's werelds machtigste mannen. Toen de Turkse legers zich in 1919 oostwaarts terugtrokken, sprak Lloyd George in dramatische bewoordingen over hun vlucht naar Mekka. `Ankara' verbeterde zijn minister hem. `Ach, Lord Curzon', antwoordde de premier, `nooit te beroerd om me aan een kleinigheid te herinneren.' En de verbluffende retoriek (of naïviteit) die de Amerikanen soms aan de dag leggen als het over de wereld overzee gaat, lijkt ook niet van vandaag of gisteren. Wilson ging er al vanuit dat de waarden van Amerika niet anders dan universeel konden zijn, een model voor ieder ander. Of zoals een van zijn snelle adviseurs beloofde: `We zullen die jongens daar wel eens even leren hoe de zaken geregeld worden, en hoe rap ze geregeld zullen worden.'

Doodsteek

Binnen twee decennia lagen alle afspraken in duigen. Adolf Hitler diende de naoorlogse vredesregeling eigenhandig de doodsteek toe. De Vredesconferentie van Parijs heeft nooit een goede pers gehad, zeker niet onder historici. Ze is meer een symbool van arrogantie en jammerlijk falen geweest, dan van vredeszin en politieke inventiviteit. Dat is niet terecht, meent Macmillan. De besluiten van de vredesstichters waren misschien wat onnozel, maar zeker minder bot en hardvochtig dan veelal is verondersteld. Hitler trok niet ten strijde tegen de strenge bepalingen van de Vrede van Versailles, hoe goed ze ook pasten in zijn agitatie en propaganda, maar tegen de judeo-bolsjewistische samenzwering en andere spinsels van zijn verwrongen wereldbeeld. Als Nederland de Kaiser had uitgeleverd dan zou voor de eerste keer een internationaal oorlogstribunaal zijn gehouden. Als de Amerikaanse volksvertegenwoordigers hun spreekwoordelijke provincialisme eens niet hadden laten prevaleren, dan had de Volkenbond tenminste een kans van slagen gehad. Peacemakers leest als een bescheiden rehabilitatie van de eerste echte poging om de moderne wereld van het kwaad van de oorlog te bevrijden.

Margaret Macmillan: Peacemakers. The Paris Conference of 1919 and its attempts to end war. John Murray, 574 blz. eur 47,24