Op naar de bioscoop

Eerst zaten de bioscopen al propvol met de kerst, en of het niet op kon stroomde het filmpubliek opnieuw in grote hoeveelheden toe in het weekend voor de jaarwisseling. Door die drukte van eind december zal 2001 de geschiedenis ingaan als het beste Nederlandse bioscoopjaar sinds 1981, maakte de Nederlandse Federatie voor de Cinematografie bekend.

Met kerst in 1981 moest men het doen met de mindere James Bondfilm For Your Eyes Only, en met Ik ben Joep Meloen, een film die uitsluitend hing op het succes van hoofdrolspeler André van Duijn, en die zelfs in in termen van revue-kluchtigheid onvoorstelbaar plat en fantasieloos was. Daarna hield de Nederlandse bioscoopganger het voor gezien.

Tot nu dus. En waar ging iedereen naar toe? Ruwweg opgeteld bezochten er 700.000 mensen Harry Potter and the Philophers Stone, 600.000 gingen naar het eerste deel van de Tolkien-verfilming The Lord of the Rings, terwijl 350.000 paar ogen zich tegoed deden aan Minoes, naar Annie M.G. Schmidt. Ook, zij het met begrijpelijk bescheidener cijfers, was het druk bij de zogenaamde art film, het circuit dat zich richt op films waarvan de artistieke waarde zwaarder weegt dan het verleiden van een massaal publiek: voor Le fabuleux destin d'Amélie Poulain werden er 75.000 kaartjes verkocht en voor het Nederlandse Familie 15.000.

Dat er zoveel mensen naar de film gingen is op zichzelf al goed nieuws, dat ze dat deden voor juist deze films is dat des te meer. Amélie Poulain is een Franse film, die superfrans doet, Familie is een Nederlandse film die een supernederlands gezin neerzet - op papier geen aanbevelingen voor succes in de bioscoop, maar het publiek stond het zichzelf toe om in de praktijk het tegendeel te ontdekken. Harry Potter, The Lord of the Rings en Minoes zijn groots en behaagziek opgezet. Ze zijn gebaseerd op bekende bestsellers en benemen het publiek de adem met een weelde aan geraffineerde special effects. Maar ze zijn niet gemakzuchtig bevolkt met publiekstrekkende filmsterren en hun verhalen zijn ingewikkelder dan we in lange tijd in dit genre hebben meegemaakt. Zeker voor het heersende dijenkletstijdperk, nu we vanaf de televisie steeds krampachtig worden toegeschaterd, zijn ze zwaar op de hand en verre van luchtig. Minoes is beschaafd grappig, de humor in Harry Potter is subtiel en The Lord of the Rings doet zelfs helemaal geen beroep op de lust tot lachen van zijn publiek.

Misschien is er meer gaande dan dat het filmpubliek geen genoegen meer neemt met de vaste formules van voor de hand liggende filmsterren in voor de hand liggende films met voor de hand liggende grappen en voor de hand liggend geweld. Want 2001 is ook het jaar van de inburgering van de megaplexen en van de verbeterde bioscopen. Het jaar dat de exploitanten eindelijk hebben begrepen dat het publiek heus de film verkiest boven de televisie, als ze die maar kunnen zien zonder pauze in de hoofdfilm, gezeten in comfortabele zalen en begeleid door vriendelijk personeel.