`Joyce was mijn Old Shatterhand'

Als dertienjarige leende Marcel Möring `Dubliners' van James Joyce uit de bibliotheek in Assen. Dertig jaar later bracht hij het terug.

`Eigenlijk wil ik het liefst James Joyce zijn.' Geconfronteerd met deze uitspraak, een paar jaar geleden gedaan in een interview voor Vrij Nederland, zegt Marcel Möring: ,,Mensen worden boos als ik dat zeg, en ik zeg het al twintig jaar. Het heeft niet zozeer te maken met de positie van Joyce als grote schrijver, maar met de rol die hij heeft gehad: Joyce stond midden in de modernistische ontwikkeling, en heeft ook binnen zijn oeuvre die hele ontwikkeling doorgemaakt. Het idee van het modernisme, dat je werk niet alleen een eindproduct is maar ook een experiment, dat je probeert de grenzen, bijvoorbeeld van de roman, op te zoeken en waar mogelijk te overschrijden om te kijken wat er achter ligt, dat is ook mijn opvatting van literatuur. Elke roman in het oeuvre van een schrijver zou een stap in het niets moeten zijn, waardoor hij de kaart van zijn mogelijkheden verder kan invullen.'

Er bestaat dezer dagen toch nauwelijks meer een avant-garde in de literatuur? ,,Er bestaat helemaal geen avant-garde meer', zegt Möring (1957). ,,Het laatste dat nog enig opzien baarde was het zogenaamde postmodernisme. Wat je ziet, is dat de literatuur, in ieder geval de succesvolle, zich toch weer beperkt tot de laat negentiende-, vroeg twintigste-eeuwse, klassieke, analoge roman. Niet alleen de lezers, ook de schrijvers zijn blijkbaar heel tevreden met de roman zoals hij is; er gebeurt geen zak in het genre.

,,The Corrections van Jonathan Franzen wordt een geweldig boek gevonden; ik was verbijsterd toen ik het las. Van die journalistieke, dorre zinnetjes, stilistische armoede. Mijn bezwaar tegen veel hedendaagse Amerikaanse literatuur is dat je er zo goed in ziet, hoe die mensen schrijven hebben geleerd op de universiteit. Het zijn van die mensen die eerst een schema maken voordat ze gaan schrijven; een schema maken is net zoiets als condooms klaarleggen voordat je een afspraakje hebt. Dan komt het er dus nooit van.'

In zijn werkkamer in Rotterdam denkt Marcel Möring terug aan het moment dat hij als dertienjarige Dubliners (1914) van James Joyce in de openbare bibliotheek van Assen zag staan. ,,Ik las heel veel, vijf boeken per week ongeveer. Boeken als Abeltje of Pietje Bell heb ik nooit gelezen, en Annie M.G. Schmidt, ik vond er niks aan, met al die woordherhalingen. Heel vroeg ben ik literatuur gaan lezen; ik las alles, inclusief de Bouquetreeks-boekjes van de buurvrouw. Dat ik Dubliners in vertaling in de bibliotheek zag staan, was toeval; ik had nog nooit van Joyce gehoord. Ik heb het boek meegenomen en het niet meer teruggebracht.

,,Ik kan die ontdekking alleen in sensuele termen omschrijven. Als je jong bent kun je, als je een vrouw op straat ziet lopen, hartkloppingen krijgen, het zweet breekt je uit. Je denkt, mijn god, ik zal nooit met die vrouw in contact komen als ik niet nu op haar toeloop, en dat doe je dan natuurlijk niet. Zoiets had ik met Dubliners, een infatuation, dat was het. Toen die bibliotheek dertig jaar later werd afgebroken, is me gevraagd of ik de nieuwe bibliotheek wilde openen. Bij die gelegenheid heb ik dat boek teruggegeven.

,,Niet lang nadat ik Dubliners had gelezen, besloot ik dat ik schrijver wilde worden. Joyce was mijn Old Shatterhand. Ik was niet alleen heel erg onder de indruk van de stijl van Dubliners maar ook van de verteltechniek. Het zijn redelijk traditionele verhalen, maar heel mooi verteld, en gedurende het boek bewegen ze zich steeds verder af van het traditionele korte verhaal. Dat culmineert in dat laatste verhaal, `The Dead', waarin je de eerste vormen van een `monologue intérieur' kunt vinden. Dat verhaal heeft lang niet meer de cohesie die je verwacht van het korte verhaal. Of `Grace', dat prachtige verhaal over een man die in een pub in elkaar zakt. Misschien dat ik daar op mijn dertiende nog het meest van onder de indruk was; `The Dead' was voor mij nog iets te subtiel. In `Grace' wordt het verhaal eigenlijk niet verteld. En toch, ik wist precies waar het over ging, zonder dat het me verteld werd. Dat heeft me heel sterk beïnvloed, ik heb zelf ook de neiging in mijn werk om veel gaten te laten, die dan ingevuld moeten worden door de lezer.'

Joyce heeft eens geschreven dat boven de verhalen in Dubliners `the odour of curruption' hangt. De sfeer van het boek is beklemmend, de personages lijken verlamd door hun lot. Möring: ,,Joyce heeft niet voor niets in 1904 Dublin verlaten. Dublin was, en is misschien nog steeds, een uiterst naargeestig, provinciaal gat, waar iemand als Joyce, met zijn wandelstok met ivoren knop, zich niet thuisvoelde. Dublin betekende voor hem het bederf van de kleinburgerlijke middenklasse, de beklemming van de conventies. Dublin is een beetje het Assen van Ierland.

,,De beslissing om schrijver te worden kon ik destijds ook nemen omdat ik na het lezen van Dubliners dacht: je hebt dus mensen die hun hele leven lang op dat spoor blijven waar ze nu eenmaal op zitten. Aan het eind komen ze tot de ontdekking dat dit niet was wat ze wilden en dan is het te laat. Als ik op mijn sterfbed lig, dacht ik, dan wil ik niet het idee hebben dat ik dingen heb nagelaten die ik had willen proberen.'

Möring wekt al zo'n vier jaar, sinds In Babylon verscheen, aan een grote roman. Over die roman denkt hij al zo'n vijftien jaar na: het moet, net als Dubliners, een portret van een stad worden. ,,Het gaat over Assen. Ik kan dat boek alleen maar schrijven omdat het zò erg was, dat toen ik in Rotterdam kwam wonen, ik 's nachts de nachtmerrie had dat ik terugmoest. Nee, het is geen wraakneming, daar leent literatuur zich niet voor. Je kunt nu eenmaal alleen over zo'n plaats schrijven als je die hartgrondig haat. Het is meer dan die stad, het is de bekrompenheid van je jeugd waar je los van bent, het burgerlijke dat iedere opvoeding heeft. Daar breek je uit, je wordt een volwassen mens. Als je dan een niet-burgerlijk leven leidt dan is het gevoel van bevrijding zo sterk dat je alleen maar kunt haten wat daarvoor is geweest.'

James Joyce, Dubliners (1914). Cambridge University Press, 1995, eur 14,11