Hoe de revolutie bezoedeld raakte

Ooit gold Isaak Babel als de beroemdste schrijver van de Sovjet-Unie. Plotseling verdween hij van de aardbodem. Zijn verzamelde verhalen, nu herdrukt, geven een bloedstollend beeld van onderdrukking en staatsterreur.

Op 15 mei 1939 arresteerden agenten van de Russische geheime politie de schrijver Isaak Babel in zijn villa in het schrijversdorp Peredelkino, even buiten Moskou. Het waren de nadagen van de Grote Terreur, de nationale zuiveringsactie die miljoenen onschuldige slachtoffers zou maken in alle geledingen van de Russische samenleving. Net als zijn lotgenoten veranderde Babel in een handomdraai van iemand in niemand. Een niemand die ervan verdacht werd deel uit te maken van een – zoals later zou blijken imaginaire – samenzwering tegen het regime van Stalin.

Babel verdween van de aardbodem. Alle documenten die de geheime politie in zijn huis kon vinden werden in beslag genomen en vernietigd. Zijn boeken verdwenen uit de schappen van boekwinkels en bibliotheken. Op die manier werd de schrijver Isaak Babel officieel uitgewist en was het alsof hij nooit had bestaan. Hij leefde alleen voort in de herinneringen van zijn lezers, vrienden en familieleden, die nog jarenlang in het ongewisse zouden verkeren over wat er na zijn arrestatie met hem was gebeurd. Zo kreeg zijn vrouw Jevgenia, die uit afkeer van de bolsjewieken halverwege de jaren twintig met haar dochter naar Frankrijk was geëmigreerd, in 1946 van de Russische schrijver Ilja Ehrenburg te horen dat haar man nog leefde. Hij zou de oorlogsjaren in ballingschap hebben doorgebracht en zich nu onder bewaking in de buurt van Moskou bevinden. Het gaf hoop, temeer omdat Ehrenburg als coryfee van het communistische regime altijd goed geïnformeerd was.

Na Stalins dood in 1953 begon in de Sovjet-Unie een proces van rehabilitatie van de slachtoffers van de Grote Terreur. Een jaar later was Babel aan de beurt. In Moskou werd toen een officiële verklaring uitgegeven: `Het vonnis van het Militaire college d.d. 26 januari 1940 betreffende Babel I.E. is herroepen op grond van onlangs ontdekte omstandigheden en de zaak tegen hem wordt gesloten bij gebrek aan criminele feiten.'

Het grote nieuws sijpelde langzaam naar het westen door. Jevgenia Babel kwam het pas te weten nadat Ehrenburg in 1956 opnieuw bij haar aanklopte en haar tevens vertelde dat haar man op 17 maart 1941 was gestorven. Ehrenburg zou in 1957 de eerste naoorlogse en zwaar gecensureerde verhalenbundel van Babel bezorgen.

De definitieve waarheid over Babels ondergang zou pas begin jaren negentig worden onthuld toen tijdens het bewind van de hervormingsgezinde partijleider Michaïl Gorbatsjov de KGB-archieven opengingen. Er kwamen nu gedetailleerde verslagen boven water van Babels verblijf in de gevangenis, zijn verhoren en van het uiteindelijke proces. Zo bleek onder meer dat Babel zes maanden na zijn arrestatie drie dagen en nachten achtereen gemarteld was en alles had bekend wat zijn beulen hem in de mond legden. In zijn geval kwam dat neer op `actieve deelneming aan een trotskistische anti-sovjetorganisatie' en `het lid zijn van een terroristische samenzwering, alsmede het spioneren voor de Franse en Oostenrijkse regering.'

Tijdens het proces dat op 26 januari 1940 plaatshad in de privé-vertrekken van Lavrenti Beria, het hoofd van de geheime politie, herriep Babel zijn bekentenis. In de processtukken staat te lezen: `Ik ben onschuldig. Ik ben nooit een spion geweest. Ik ben nooit betrokken geweest bij acties tegen de Sovjet-Unie. Ik heb mezelf vals beschuldigd. Ik werd gedwongen valse beschuldigingen tegen mijzelf en anderen af te leggen... Ik vraag maar één ding – of ik mijn werk mag afmaken.' Het proces duurde in totaal zo'n twintig minuten. Het vonnis bleek van tevoren opgesteld: de doodstraf, onmiddellijk uit te voeren door een vuurpeloton. In de vroege ochtend van de volgende dag vond de executie plaats. Babels lichaam werd in een massagraf gedumpt. Hij was vijfenveertig jaar oud geworden.

Tot op de dag van zijn arrestatie was Isaak Babel een van de meest gevierde schrijvers van de Sovjet-Unie. Hij genoot dan ook alle privileges die bij die roem hoorden, zoals een auto met chauffeur, drievoudige kledings- en voedselrantsoenen, gratis gebitsverzorging door de beste tandarts van het Kremlin-ziekenhuis, een comfortabele woning in Moskou compleet met kokkin en werkster, en de villa in Peredelkino. Ook mocht hij regelmatig naar het buitenland reizen. Maar in ruil voor die riante werk- en leefomstandigheden moest hij met enige regelmaat een literaire bijdrage leveren aan de opbouw van de Sovjet-samenleving. Hij was een propagandist geworden, die werk op maat leverde en zich verkocht had aan het communistisch regime, ook al geloofde hij allang niet meer in de bolsjewistische idealen. Het alternatief voor die intellectuele `collaboratie' was een noodgedwongen stilzwijgen, waartoe Babel echter niet kon besluiten omdat hij zijn familieleden in het buitenland en zijn tweede gezin in Moskou moest onderhouden.

Om aan zijn verplichtingen te voldoen schreef Babel onder meer filmscenario's, gebaseerd op socialistisch-realistische romans als N. Ostrovski's Hoe het staal gehard werd. Zijn echte literaire werk kwam erdoor in het gedrang. Het schrijven werd hem bovendien ook nog eens bemoeilijkt doordat op den duur het sociaal-realisme het enige toegestane literaire genre was. Werd in een roman of een verhaal niet genoeg over dappere arbeiders geschreven die alles deden om de socialistische heilstaat op te bouwen, dan kon een schrijver publicatie wel vergeten. Om die reden kwam er in de loop van de jaren dertig steeds minder literair werk uit Babels handen. Uit de brieven die hij in zijn laatste levensjaren schreef blijkt hoe dit hem steeds meer begon te kwellen. De enige reden voor Babel om zich niet in het buitenland te vestigen was dat het Russisch de taal was waarin hij schreef. Hij was er dan ook van overtuigd dat hij niet meer zou kunnen schrijven als hij niet meer onder het Russische volk verkeerde.

De geschiedenis van Babels ondergang had een verhaal van zijn eigen hand kunnen zijn. Want als schrijver werd Babel altijd gefascineerd door macht en geweld. De ironie wil zelfs dat hij op het moment van zijn arrestatie werkte aan een roman over de geheime dienst.

Schrijven over geweld had hem in 1924 beroemd gemaakt. In dat jaar verschenen de eerste verhalen die twee jaar later gebundeld zouden worden in Rode Ruiterij. Die verhalen waren gebaseerd op zijn ervaringen tijdens de Pools-Russische oorlog van 1920, waaraan hij deelnam als oorlogscorrespondent bij generaal Boedjonny's Eerste Cavalerieleger. Babel had zich als vrijwilliger aangemeld, omdat hij zich op aanraden van zijn mentor Maksim Gorki `onder de mensen' wilde begeven om aldus het echte leven te ontdekken.

De veldtocht tegen de Polen, die voor de Russen op een nederlaag zou uitlopen, was voor Babel echter een grote ontluistering. Terwijl hij in het legerkrantje De Rode Cavalerist het ene na het andere propaganda-artikel publiceerde waarin de bolsjewistische troepen als bezorgers van de communistische heilsboodschap werden afgeschilderd, noteerde hij in zijn dagboek zijn toenemende twijfels. Die twijfels werden gevoed door het tomeloze geweld tegen onschuldige burgers, dat niet alleen bedreven werd door de Poolse tegenstander, maar ook door de kozakken uit zijn eigen legereenheid.

De oorlog speelde zich voornamelijk af in Wolhynië en Galicië, gebieden die hoofdzakelijk door joden werden bewoond. Die joden leden al jarenlang onder de antisemitische geweldsuitbarstingen van de Polen en onthaalden de Russische troepen dan ook als bevrijders. Maar ze kwamen bedrogen uit. Want de kozakken van Boedjonny lieten zich niet door communistische idealen van gelijkheid, vrijheid en broederschap leiden, maar door anarchistische wraakzucht en ingebakken antisemitisme. `Hoe wij de vrijheid brengen, verschrikkelijk', schrijft Babel niet voor niets in zijn dagboek.

De verhalen uit Rode Ruiterij bevatten bloedstollende ooggetuigenverslagen van zinloze moordpartijen, verkrachtingen en plunderingen. En tegelijkertijd getuigen ze ook van Babels mateloze bewondering voor de fysieke kracht en het ongeremde gedrag van de kozakken.

Charles B. Timmer, die in het verleden bijna het hele oeuvre van Babel in het Nederlands vertaalde, beweerde terecht dat `het brute geweld, de zinloze wreedheid van de mensen Babel heeft gefascineerd, heeft gebiologeerd als een geheim dat ontraadseld moest worden.' Babels verhalen hebben inderdaad iets magisch. Het is zelfs alsof je als lezer onafgebroken in een brandende sjtetl staat en ooggetuige bent van de verschrikkingen die zich er voltrekken. Niet eerder heb ik de allesverzengende gloed van oorlog zo sterk gevoeld als in Rode Ruiterij. Niet eerder werden de zinloosheid en de fascinatie van geweld zo sterk verbeeld als in dit boek dat tot 1930 in vele herdrukken verscheen, in binnen- en buitenland. In West-Europa gold Babel in die tijd zelfs als de beroemdste Sovjet-schrijver, samen met Boris Pasternak.

Babel haalde zich met zijn verhalen over zijn oorlogsbelevenissen veel kritiek op de hals van zijn voormalige commandanten, de generaals Boedjonny en Timosjenko, die er in Rode Ruiterij niet al te gunstig vanaf kwamen. Ze publiceerden verontwaardigde brieven in kranten en tijdschriften waarin ze hem ervan beschuldigden niet heroïsch genoeg over het Rode Leger te hebben geschreven. Vooral Boedjonny was woedend over de bloeddorstige en wrede manier waarop zijn manschappen waren te kijk waren gezet. In 1928 noemde hij Rode Ruiterij in een brief aan Gorki zelfs `een delirium van een hebreeuwse erotomaan'. Ook zou Babel volgens hem met het boek de revolutie bezoedelen. Dergelijke beschuldigingen hebben ongetwijfeld bijgedragen aan Babels ondergang. Toen zijn beschermheer Gorki in 1936 overleed, had hij dan ook alle redenen om zich ongerust te maken over zijn toekomst.

Uit Babels dagboeknotities van 1920 blijkt duidelijk dat zijn sympathie bij de vervolgde joden lag, zijn soortgenoten bij wie hij zich thuis voelde. Hun wereld deed hem denken aan het getto van Odessa waar hij in 1894 zelf was geboren als zoon van een redelijk welvarende joodse koopman. Hij was er opgevoed met de torah en de talmoed, maar leidde al jaren een geassimileerd leven. In het leger van Boedjonny hield Babel zijn joodse identiteit verborgen en nam hij het pseudoniem Kirill Vasiljevitsj Ljoetov aan. Om te vermijden dat ook hij ten prooi zou vallen aan de jodenhaat van de kozakken.

De wereld van de Russische joden is het thema van veel van Babels overige verhalen. En ook hieruit spreekt weer die fascinatie voor geweld. Zo zijn de schurken in de Verhalen uit Odessa nu eens niet de Russische antisemieten, maar de joden zelf. De Odessa-verhalen spelen zich vooral af in de wijk Moldovanka, het joodse getto van de stad. Het was een soort kosher Palermo, waar de joodse maffia welig tierde. Roverhoofdman Benja Krik, oftewel Benja de Koning, de moorddadige Madame Schneeweis, de schatrijke zakenman Anderhalve-jood en Manka de moeder van de joodse bandieten zijn dankzij Babel onvergetelijke literaire personages geworden. Je gruwt van hun wreedheid en moet tegelijkertijd lachen om hun dekselse streken en uitgekookte gedrag.

Babels mooiste verhaal staat in een andere bundel en heet `De geschiedenis van mijn duiventil'. Een autobiografisch relaas dat zich afspeelt tijdens een pogrom in het stadje Nikolajev, waar Babel een deel van zijn jeugd heeft doorgebracht. Hoofdpersoon is een joods jongetje dat in 1905 wordt toegelaten tot het gymnasium – een enorme eer, omdat er in een klas van veertig leerlingen maar twee joden mochten zitten. De ouders van het jongetje zijn uitgelaten over het behaalde succes en kunnen het grote nieuws bijna niet geloven. Als op de school de lijst met namen van de nieuwe leerlingen wordt opgehangen tuigt de hele familie erheen om het document te bekijken. Zelfs `grootvader' Schojl, een oudoom van het jongetje, gaat mee. Schojl heeft als beloning voor het jongetje een duiventil getimmerd.

Tot dan toe is alles in harmonie. Babel beschrijft het leven van de familie als een idylle, vol warmte, tradities, beschaafde en bescheiden welvaart die met de toelating van het jongetje tot het gymnasium wordt bekroond. Maar dan slaat alles om en besef je dat hun geluk van korte duur is. Als het jongetje op de markt duiven heeft gekocht voor zijn duiventil breekt er een pogrom in het stadje uit. De idylle verandert in een nachtmerrie. Hooligans – mannen en vrouwen – plunderen winkels van joden. Het jongetje maakt dat hij wegkomt. Dan ziet hij in een steegje een invalide oude man, een bekende van hem, die bezig is om de van de joden gestolen goederen op te kopen. Het jongetje vraagt aan de man of hij Schojl misschien heeft gezien. De man antwoordt niet, maar pakt wel de zak met duiven van het jongetje af. Hij haalt er de mooiste duif uit en slaat hiermee het jongetje in zijn gezicht. De ingewanden van het vermorzelde vogeltje druipen van zijn wangen. `Uitroeien moesten ze dat zaad van hun', zegt zijn vrouw, doelend op de joden. Als het jongetje thuiskomt ziet hij daar zijn vermoorde oudoom liggen, met een vis in zijn gulp en in zijn mond. Als je het verhaal uit hebt kruipen de rillingen over je rug, zo geraakt ben je door de geschonden wereld die Babel in nog geen twaalf bladzijden weet op te roepen.

De verzamelde verhalen van Babel zijn nu voor het eerst sinds jaren weer opnieuw in het Nederlands verschenen in een gebonden uitgave van Meulenhoff. Het boek is gebaseerd op het Verzameld Werk dat in 1979 in twee delen verscheen in de vertaling van Charles B. Timmer. Op die vertaling is het een en ander aan te merken. Timmer is vaak te omslachtig en doet niet altijd recht aan Babels korte en puntige stijl. Nu zou je kunnen denken dat Meulenhoff op het lumineuze idee was gekomen om de verhalen opnieuw te laten vertalen. Vertalingen zijn tenslotte vaak gedateerd. Dat laatste heeft de uitgeverij echter niet aangedurfd en dat is erg jammer.

Wel zijn in deze editie vier nieuwe verhalen opgenomen, in een bekwame vertaling van Peter Zeeman die in 1993 Babels dagboek uit 1920 op een voorbeeldige wijze heeft vertaald en bezorgd.

In de `nieuwe' Nederlandse Babel-uitgave staat ook een onthullend voorwoord van Babels dochter Nathalie. Hierin wordt echter voortdurend verwezen naar de nieuwe Babel-editie van de Amerikaanse uitgever W.W. Norton, The complete works of Isaac Babel, waarvoor het ook geschreven is. Dit boek, waarin al het literaire werk van Babel voor het eerst in de geschiedenis in één taal bijeen wordt gebracht, is bovendien voorbeeldig geannoteerd en vertaald. Behalve het voorwoord van Nathalie Babel bevat het ook nog eens een mooi en interessant betoog van Cynthia Ozick die het werk van Babel vergelijkt met dat van Kafka, een uitvoerige chronologische levensschets van de schrijver en een autobiografisch geschrift van Nathalie Babel, waaruit je veel interessante dingen over het leven van haar vader en moeder komt te weten. Vooral wat dat laatste document humain betreft vraag je je af waarom Meulenhoff het niet gewoon heeft overgenomen.

De ergernis die bij het vergelijken van beide edities opkomt wordt nog groter als je ziet hoe goed Babels verzameld werk in de Meulenhoff-editie uit 1979 door Charles B. Timmer is geannoteerd en becommentarieerd. Want wat je ook op zijn vertaling kunt aanmerken, voorop staat dat hij met de bezorging van dat werk een grote prestatie heeft geleverd. Meulenhoff had er dan ook goed aan gedaan om tenminste Timmers commentaar in de nieuwe verhaleneditie op te nemen. Want het werk van een schrijver als Isaak Babel, die als geen ander de koorts van het menselijk bestaan wist vast te leggen, wordt alleen maar interessanter als je weet hoe hij daadwerkelijk heeft geleefd.

Isaak Babel: Alle verhalen. Vertaling Charles B. Timmer en Peter Zeeman, Meulenhoff, 573 blz. € 57,42

The complete works of Isaac Babel. W.W. Norton & Company, New York, 1072 blz. € 53,08