Het interieur binnenstebuiten gekeerd

Lange tijd is aangenomen dat zeventiende-eeuwse schilderijen vertellen hoe hier in de Gouden Eeuw geleefd en gewoond werd. Helemaal mis, zo blijkt uit de studies en de rijk geïllustreerde platenboeken die de oogst vormen van de manifestatie `Historisch Interieur 2001'.

Dat de zeventiende-eeuwse werkelijkheid op gespannen voet heeft gestaan met Hollandse genreschilderijen uit dezelfde periode, is betoogd in talloze kunsthistorische publicaties. Vaak blijken minutieuze, schijnbaar natuurgetrouwe weergaven van mensen in hun vertrouwde omgeving, verwikkeld in hun dagelijkse bezigheden, het resultaat te zijn van welbewuste keuzes voor attributen, houdingen of situaties die symbolische associaties oproepen. Of ze leidden simpelweg tot een esthetisch aantrekkelijker schilderij. Wie de mate van waarheidsgetrouwheid van interieurs met zulke genretaferelen aan de orde stelt, lijkt, om in de beeldspraak van het onderwerp te blijven, een open deur in te trappen.

Maar, zoals C. Willemijn Fock schrijft in de catalogus van de tentoonstelling Art & Home, die langs Amerikaanse musea reist, is een dergelijk onderzoek nog steeds een desideratum. Nog nauwelijks is het uiterlijk van huizen en binnenkamers in de schilderkunst van de Hollandse Gouden Eeuw getoetst aan bronnen als boedelinventarissen, reisbeschrijvingen of bouwplannen. In woonvertrekken zijn bijvoorbeeld marmeren vloeren, veelarmige metalen plafondkandelaars of Turkse tapijten, veel uitzonderlijker geweest dan vele schilderijen doen vermoeden. Het ruimtelijke ritme dat de binnenhuizen bij een schilder als Emanuel de Witte zo aantrekkelijk maakt, is deels te danken aan zijn weergave van kamers die je – kijkend door in één lijn geplaatste deuropeningen – achter elkaar kunt zien liggen. Maar in werkelijkheid kwam zo'n Franse enfilade in zeventiende-eeuwse Hollandse stadshuizen helemaal niet voor.

Fock benadrukt dat De Witte deze artistieke vrijheid – hij schilderde ook fraaie zwart-wit geblokte marmervloeren en plafondbalken die, constructief vrijwel onmogelijk, haaks op de façade staan – gebruikt om te komen tot een overtuigender compositie.

Doe-het-zelf variant

Focks bijdrage illustreert het onderzoek naar het historisch interieur en de wooncultuur in vroeger tijd. Terwijl huisinrichting, inclusief de doe-het-zelf variant van tijdschriften en tv-programma's, de laatste jaren ongekend populair is geworden, blijkt de historische ontwikkeling verbazingwekkend weinig te zijn onderzocht. Bovendien werd tot voor kort het uiterlijk van historische interieurs vrij kritiekloos gereconstrueerd en geïnterpreteerd aan de hand van voorstellingen in de beeldende kunst.

Nu deze benadering achterhaald blijkt, baseren specialisten zich steeds meer op de materiële cultuur als geheel. De lacunes in het interieuronderzoek zijn dit jaar in een klap voor een groot gedeelte ingevuld. In het kader van de manifestatie Historisch Interieur 2001, geinitieerd door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en het Instituut Collectie Nederland, verschenen twee lijvige publicaties die de historische binnenruimte in Nederland vanaf de zeventiende eeuw, elk verschillend belichten. Daarnaast wordt ook in andere boeken en tentoonstellingen aandacht besteed aan interieur en wooncultuur.

Het prachtig uitgegeven en rijk geïllustreerde Leven in toen, is een galerij van beschrijvingen en kleurenfoto's van Nederlandse interieurs in oude herenhuizen en buitenverblijven. Boerderijen vormen een categorie die in 2003 in het `Jaar van de boerderij' uitvoerig aan bod zal komen, en ook de oude arbeiders- en vissershuizen doen niet mee, omdat van hun bescheiden uitmonstering bijna niets meer in de oorspronkelijke staat over is. Dat wil niet zeggen dat de woningen van adel en burgerij in de loop der eeuwen onveranderd zijn gebleven.

Leven in toen laat niet alleen zien hoe het interieur er `toen' uitzag, maar vooral ook hoe er werd en wordt geleefd in oude interieurs, met alle aanpassingen ten behoeve van de smaak en het comfort van de bewoners. De chronologische reeks van honderd beschrijvingen en illustraties verheldert de ontwikkelingen in architectonisch ontwerp, inrichting en decoratie in woonhuizen van 1600 tot 1940, maar vertoont ook opvallende stijlbreuken, toevoegingen of reconstructies, zoals die in gemusealiseerde interieurs. Die maken niet alleen de levendigheid zichtbaar van de binnenhuizen waarin wordt geleefd, maar ook de gecompliceerdheid van de studie ernaar.

Waar Leven in toen een aantrekkelijk plaatjesboek vormt, is de monumentale publicatie Het Nederlandse interieur in beeld van veel groter wetenschappelijk-historisch belang. Het is het vlaggenschip van de manifestatie, waarin nu voor het eerst, in ruim vijfhonderd fraai geïllustreerde bladzijden, op een systematische manier de ontwikkeling van het interieur geschetst wordt in Nederland in de periode van 1600 tot 1900. Uiteenlopende specialisten behandelen telkens een halve eeuw en laten zien hoe planning, gebruik, `vaste' afwerking en `losse' inrichting zich wijzigden. Hoewel de auteurs zich baseren op uiteenlopende bronnen, wekt het geen verbazing dat de vele afbeeldingen met uitvoerige bijschriften, voor het grootste deel schilderijen, prenten of tekeningen zijn – alsof de reserve bij dergelijke objecten als betrouwbare bron kleiner wordt naarmate de tijd voortschrijdt. Zo duikt het zeventiende-eeuwse Interieur met vrouw aan een virginaal van Emanuel de Witte opnieuw op als illustratie van `een perspectief van vertrekken.'

Anders ligt het bij werken waarbij je uit de voorstelling zelf kunt concluderen dat ze een behoorlijke mate van objectiviteit beogen, zoals in twee weergaven van de kunstkamer van de achttiende-eeuwse verzamelaar Cornelis Ploos van Amstel. Jacob Maurer schilderde in 1764 een vrijwel identieke kamer als George van der Mijn vier jaar daarvoor had vastgelegd in pen en penseel. Alleen de kunstverzameling blijkt inhoudelijk iets gewijzigd, net als de stoffering met eenvoudige, rechte gordijnen en met gemakkelijke stoelen bij de tafel.

De werken die als illustratie dienen, lopen in techniek, functie en kwaliteit zeer uiteen: van genretaferelen tot ontwerptekeningen voor lambriseringen; van een prent met een opengewerkt, brandend grachtenhuis (bedoeld om de werking van de zeventiende-eeuwse brandspuit te tonen) tot een aandoenlijk kinderlijke tekening waarin François Haverschmidt, bekend als de dichter Piet Paaltjens, de dwarsdoorsnede van zijn Schiedamse predikantenhuis vastlegde.

Pas in het laatste deel van het boek, de periode 1850 tot 1900, begint de fotografie een rol te spelen. Hoewel dan een meer objectieve documentatie van een werkelijke situatie ontstaat, dateert uit diezelfde tijd ook een fascinerende reeks van zo'n twintig aquarellen, waarmee J.H.M. Tilmes in 1885-93 alle vertrekken, behalve het private, van het pand P.C. Hooftstraat 145 in Amsterdam in beeld bracht; van de vestibule waar je het huis betreedt, tot de strijkruimte op zolder.

Studeerkamer

Aan de inhoudelijke interpretatie van kunstwerken zoals die – met alle noodzakelijke nuanceringen – fungeren als illustratie van Het Nederlandse interieur in beeld, wordt met name aandacht besteed in Wooncultuur in de Nederlanden. Dit deel van het Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek mag dan de meest uiteenlopende facetten aan de orde stellen, hoe belangwekkend sommige bijdragen ook zijn, er is een vrij onsamenhangend geheel ontstaan. Een artikel over het Haagse huis van Constantijn Huygens, bijvoorbeeld, nuanceert de rol die Huygens zelf bij het ontwerpen van het gebouw heeft gespeeld en onthult dat Jacob van Campen als de werkelijke architect moet worden beschouwd. Maar ook stadhouder Frederik Hendrik, bij wie Huygens als secretaris in dienst was, komt ineens om de hoek kijken, omdat hij voor de zeventiende-eeuwse hofarchitectuur een belangrijkere rol speelde dan tot nu toe werd aangenomen. Naast een uitgesproken architectuurhistorische bijdrage als deze, laat een andere scribent op zijn beurt weer zien hoe diezelfde Frederik Hendrik zijn paleis in Honselaarsdijk volgens de laatste trends liet ontwerpen en inrichten om het tot een representatief centrum te maken.

Weer ergens anders worden de indeling en inrichting van het burgerlijke huis in de zeventiende eeuw gecombineerd met een beschrijving van de ontwikkeling van de studeerkamer. Uit boedelinventarissen blijkt dat die evolueerde van een afgeschoten houten hokje in grotere vertrekken omstreeks 1600, tot de aparte bibliotheekkamers waar juristen en medici zich voor hun studie terugtrokken.

De interpretatie van geschilderde interieurs komt vooral aan de orde in een artikel over de zeventiende-eeuwse meester Pieter de Hooch. In zijn interieurs benadrukt de schilder het contrast tussen de binnenruimte en de buitenwereld die zich in doorkijkjes laat zien, waardoor de visuele scheiding zichtbaar wordt tussen de grote wereld van de zeventiende-eeuwse man en het kleine domein van de vrouw. Als ontwerpen van een architect als Philip Vingboons onthullen dat de functionele scheiding tussen ruimtes in huizen uit die tijd helemaal niet zo scherp lag, blijkt eens te meer dat de schilder de werkelijkheid naar zijn hand zette.

In een onderhoudend artikel in Art & Home betoogt H. Perry Chapman iets dergelijks, maar dan door zeventiende-eeuwse interieurvoorstellingen en de mensen die erin figureren op even gedurfde als weinig geloofwaardige wijze te vergelijken met twintigste-eeuwse televisieprogramma's. Zulke schilderijen onthullen, volgens haar, ideeën over het gezinsleven en over de rol van de heer des huizes daarin. Ze hingen aan de wand als deels herkenbare, deels overdreven afspiegelingen van de werkelijkheid, net zoals de tv dat doet in Amerikaanse `situation comedies'. All in the Family of The Cosby Show spelen zich immers steevast af in een herkenbaar huiselijk decor. En zoals Jan Steen soms zichzelf afbeeldde in zijn vrolijke gezelschappen, spelen ook `sitcoms' als Seinfeld met de identiteit van de maker, die zelf de hoofdrol speelt. Zowel de inleiding van de Art & Home-catalogus alsook die van Wooncultuur in de Nederlanden – Mariët Westermann legt daarin losjes verbanden tussen geschilderde interieurs en foto's in glossy huisinrichtingstijdschriften – laten er geen twijfel over bestaan: het historisch interieur staat volop in de actuele aandacht.

Leven in toen. Vier eeuwen Nederlands interieur in beeld. Waanders. 302 blz. eur 38,89 (geb.)

C. Willemijn Fock (red.): Het Nederlandse interieur in beeld 1600-1900. Waanders. 520 blz. eur 54,91 (geb.)

Wooncultuur in de Nederlanden, 1500-1800 (Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek deel 51). Waanders. 316 blz. eur 104,84 (geb.)

Mariët Westermann (red.): Art & Home. Dutch Interiors in the Age of Rembrandt. (Tentoonstellingscatalogus The Newark Museum, t/m 20/1 en Denver Art Museum 3/3 t/m 26/5) Waanders. 240 blz. eur 38,89 (geb.)