Franse leiders genieten alwéér de belangstelling van justitie

Vier maanden voor de presidentsverkiezingen wordt de Franse president Jacques Chirac, vermoedelijk kandidaat voor zijn eigen opvolging, opnieuw geconfronteerd met zijn verleden. Nog maar nauwelijks is het staatshoofd op grond van zijn justitiële onschendbaarheid ontsnapt aan nadere onderzoeken naar zijn rol in vier affaires, of een nieuwe dient zich aan. De dreiging is deze keer groter, omdat het justitiële onderzoek niet primair zijn rol betreft en dus niet belemmerd wordt door functionele onschendbaarheid.

De affaire, onthuld door het dagblad L'est républicain, wordt vooralsnog met de nodige slagen om de arm beschreven. In 1987 en '88 zou de door Chirac geleide regering, waarin Charles Pasqua minister van Binnenlandse Zaken was, een losgeld van drie miljoen dollar hebben betaald voor de vrijlating van Franse gijzelaars in Libanon. Dit gerucht, dat direct al de ronde deed, is zowel door Chirac als door Pasqua altijd tegengesproken. Maar nu heeft de Parijse onderzoeksrechter Isabelle Prévost-Desprez een onderzoek ingesteld naar twee vrouwen uit de entourage van Pasqua wegens `witwassen van door fraude verkregen fondsen' en wegens `machtsmisbruik'. Zij zouden de afgelopen jaren delen van het officieel nooit betaalde losgeld hebben opgestreken via Zwitserse bankrekeningen, misschien wel – en daar gaat de justitiële belangstelling ook naar uit – ten behoeve van Pasqua en een medewerker.

De vooralsnog hypothetische betrokkenheid van Chirac bestaat eruit dat hij premier was en dus beheerder van de `geheime fondsen' waar de Franse overheid jaarlijks over beschikt. Het ligt voor de hand dat het losgeld daaruit betaald werd. Deze aanzienlijke fondsen bestaan officieel maar de besteding ervan wordt niet gecontroleerd. Ze zijn bedoeld voor extra premies voor ambtenaren en voor alle andere doeleinden die de premier en de president bedenken kunnen. Vorig jaar kwamen ze uitgebreid in het nieuws, omdat Chirac ze heeft aangewend – hij heeft het opgebiecht, als een destijds gebruikelijke gang van zaken – voor luxueuze privé-reizen. Het was één van de affaires waarin zijn presidentiële onschendbaarheid de onderzoeksrechter dwong zich `niet-bevoegd' te verklaren. Premier Jospin heeft het systeem inmiddels op de helling gezet.

Zeker is dat Chirac en de toenmalige president François Mitterrand – respectievelijk `rechts' en `links', maar door de kiezers veroordeeld tot cohabitation, net als Chirac en Jospin op dit moment – in een race verwikkeld waren om de gijzelaars vrij te krijgen. Zeker is ook dat er ook toen verkiezingen in aantocht waren. Het vermoeden is dan ook dat het geen toeval was dat de laatste gijzelaars op 5 mei 1988, krap drie dagen voor de tweede ronde van de presidentsverkiezingen, op het militaire vliegveld van Villacoublay omstandig onthaald werden door premier/presidentskandidaat Chirac. Mitterrand was pas op het allerlaatste moment ingelicht en viste achter het net. Niettemin lachte hij drie dagen later het hardst.

De zaak is aan het rollen gebracht door een `witje', een schrijven zonder briefhoofd of handtekening, dat de inlichtingendienst aan justitie heeft doen toekomen. Het zette de onderzoeksrechter op het spoor van de Zwitserse bankrekeningen. Niet alleen omdat het ongebruikelijk is dat de inlichtingendienst zomaar informatie verstrekt aan justitie beschuldigt Pasqua de regering-Jospin ervan de affaire bewust te hebben laten losbarsten. Hij is immers ook presidentskandidaat, net als Jospin.