Er gebeurt meer dat ik niet opmerk

`Ze zeggen dat er dassen wonen; ze zijn onzichtbaarder/ dan het voormalig veer. Er gebeurt hier meer// dat ik niet opmerk...' Zo begint het titelgedicht van de eerste bundel van Marijke Hanegraaf. De regels zijn programmatisch voor haar werk, want in Veerstraat wordt niet alleen goed en vooral anders gekeken; ook wat niet of niet meer te zien is wordt verbeeld. En trefzeker geformuleerd – maar ook wat droog soms en afstandelijk, alsof niet een dichter maar een laborant aan het werk is. Totdat, in vrijwel elk gedicht, de slotregel met een vervreemdende uithaal duidelijk maakt dat de tekst, hoe ethologisch misschien ook van opzet, uiteindelijk heus poëzie is.

In de allereerste regels van de bundel zet de dichter al meteen haar stempel. `Resoluut of aarzelend,' stelt ze in het gedicht `Aangeraakt', `lopen we in de stationshal in rechte lijnen/ van de ene uitgang naar de andere.' Zo'n begin schept verwachtingen, maar die worden pas op de volgende pagina in een soort herhalingsoefening waargemaakt. `Hoe iemand voor een ander bestaat' is de titel, en daaronder wordt de ervaring van die `we' uit `Aangeraakt' nu op een specifieke vrouw geprojecteerd:

Een vrouw loopt in de stationshal van de ene uitgang

naar de andere, net als iedereen, maar traag.

Je weet nog niet hoe gewaagd haar tempo is

en hoeveel te hoog.

Door hun gejaag vervagen de overige

passanten

tot strepen in de opname.

Wonderlijk hoe de vrouw door haar traagheid

afzonderlijke reizigers samenvoegt tot haar achtergrond

en hoe er een gebied ontstaat waar je oog op rust.

Net als iedereen loopt de vrouw in een lijn die ongeveer recht is,

tot haar ene voet hapert. Ze zet hem neer

maar iets te laat en er valt een leemte van een seconde

in de zorgvuldig opgebouwde regelmaat.

Haar voeten raken uit de richting, de vrouw

staat bijna stil, praat in zichzelf, doet alsof

haar niets ontschoten is, probeert een uitgang.

Als je even niet kijkt is ze weg.

Merkwaardig hoe ze een leegte beslaat.

Dit is de manier van kijken die ook de poëzie van Martin Reints en K. Michel zo boeiend maakt. Er wordt dichtend gedacht, en in de maalstroom van poëtisch denken en formuleren krijgt zelfs het futiele, of wat daar gemeenlijk voor doorgaat, een functie. Marijke Hanegraaf lijkt door het werk van Reints beïnvloed, maar haar debuut is te eigen om haar op een voorganger vast te pinnen. In tegenstelling tot Reints schrijft ze ook persoonlijke, soms lyrische verzen over liefde en dood. En – ander uiterste – ecologische bespiegelingen.

De betrokkenheid bij het milieu en de veranderingen daarin bepaalt de grondtoon van Hanegraafs bundel. Haar blik trekt van natuur naar bebouwing, en terug. Van kuilgras naar kerncentrale, van de horizon van het rivierlandschap naar het verschiet van het eigen raam in een dichtbevolkte winkelstraat. In Veerstraat vallen ze ook dikwijls samen, grijs en groen. Zoals in het mooie slotcouplet van `Wind uit het oosten':

In oude huizen stierven oude mensen,

ze strekten zich in de hitte uit

en krompen daarna langzaam in elkaar,

als een gewas dat zich terugtrekt.

Het beeld is zo vanzelfsprekend dat je het niet meer als `nieuw' herkent. Dat geldt ook voor andere metaforen en associaties in deze bundel. Vanuit de trein bezien ontrolt de bebouwing zich `langs nerven waar de rek uit raakt'. Als de dichter in de verte fietsers voor een stoplicht ziet staan wachten, vermoedt ze in hen `het dreunende verkeer van meningen'. En bij de kerncentrale die een constant geluid van vijftig megahertz produceert, concludeert Hanegraaf met de tong in de wang: `Dat is een toon voor een contrabas.'

Veerstraat is een laat, maar dan ook rijp debuut. Een enkel vers daargelaten, is de stijl steeds beheerst, raakt de formulering de kern, en is de beeldspraak ongezocht. Dat dit vertoon van vakmanschap de grilligheid van het blikveld ongemoeid heeft gelaten, wekt bewondering. Waar zowel het zichtbare als het onzichtbare (of het hoorbare en onhoorbare) tegelijkertijd taal krijgen, is niet altijd meer duidelijk wat wat is. Marijke Hanegraaf goot dit probleem in een intrigerende metafoor. `Visser noch veerman' heet het vers:

Mevrouw De Wit gaf haar naam aan een veer.

Deinend op een rivier leeft ze voort.

Vandaag was ze vergeten wat ik gisteren zei.

Op een dag vergeet ze wie ik ben.

Ik ontmoette haar toen ik wanhopig was

en in de massa zocht naar een gezicht,

een gezicht dat losbreekt van zijn achtergrond

of opspringt als het kind in een schoot.

Haar uitingen leken op zonderlinge

machines, ze zag in mijn hand

een zwakke lijn als een straat, ze zei

ik bel je, ik strek mijn stem naar je uit.

Van lettergrepen zonder verband maakte ik

woorden om me aan te hechten. Ze gaf

haar naam aan een voetgangerspontje en vaart

heen en weer. Ik kom haar bekend voor.

Zoals in veel goede poëzie laat ook hier de inhoud zich niet op één betekenisniveau ontraadselen.

Ook bij herlezing blijft de al dan niet vermeende ontmoeting met Mevrouw De Wit mysterieus. Net als `Hoe iemand voor een ander bestaat' lijkt ook `Visser noch veerman' door een consequent mechaniekje gedreven. Regel voor regel is bedacht en geconstrueerd, maar met elkaar zingen de regels zich los van het conceptuele corset. En daardoor wordt het poëzie.

Marijke Hanegraaf:Veerstraat. Gedichten. De Arbeiderspers, 61 blz. eur 14,50