Elsschot

Naar aanleiding van de overigens gewaardeerde bijdrage van Arjen Fortuin over het werk van Elsschot (Boeken, 21.12.2001) wil ik een tweetal kanttekeningen maken.

In kolom vijf van uw artikel voert hij het beroemde aforistische citaat op over het creatieve proces, toegeschreven aan Willem Elsschot in een gesprek met Karel de Jonkheere (sic!). Dit wekt om meer dan één reden verbazing. In de eerste plaats vormt deze apodictische uitspraak de slotpassage van Elsschots Inleiding op de roman Kaas. In de tweede plaats wordt hier een voor mij geheel nieuwe Vlaamse letterkundige ten tonele gevoerd; ik veronderstel dat hiermee de heer Karel Jonckheere wordt aangeduid, maar bij alle cryptische benamingen in het oeuvre van de heer De Ridder is men natuurlijk nooit geheel zeker van zijn zaak.

In de opsomming van Elsschots latere activiteiten mis ik het fragment van een onvoltooid gebleven roman, onder de titel `Brief aan mijn zoon' afgedrukt in het Nieuw Vlaams Tijdschrift, Jaargang XX, aflevering mei-juni 1967. Het is door de auteur gedateerd op 1939; de toon is onvervalst Elsscholttiaans en de teneur onmiskenbaar pro-Duits. Reden waarom dit torso nooit is uitgegroeid tot een grotere vertelling?