Een fixatie op vreten

Dieren op het toneel vervullen vaak de rol van lachspiegel voor mensen. Ook onder muizen blijken er rekkelijken en preciezen.

Kijken dieren anders dan mensen?

Misschien wel. In Hondehart, de nieuwe voorstelling van theatergroep 't Barre Land speelt Jacob Derwig een hond. Hij doet dat vooral met zijn ogen. Los in de gewrichten en wat uitgezakt staat hij voor de publiekstribune, hij laat zijn mond slap hangen, maar het opvallendst is zijn blik; starend, blanco, langzaam veranderend in voldane vreugde als er sprake is van worst. Toch: of hij een hond is of een mens, het blijft onduidelijk totdat hij zijn hoofd achterover gooit, zijn ogen dichtknijpt en het op een hartverscheurend hondengehuil zet.

Bijna net zo ging het in het toneelstuk Adel Blank van Alex van Warmerdam, dat in 1999 gespeeld werd door de gezelschappen Orkater en de Trust. Acteur Peter Blok speelde de hond Walter. Star en stijf zat hij in een stoel in een hoek van de kamer, gekleed in een lichtgele lamswollen trui. Ook bij Blok zat het hondse vooral in de ogen. Een onbewogen blik, weinig geknipper; de hond zat rustig in zijn eigen cocon, kennelijk wachtend op een prikkel - gaan-we-uit, kijk-eens-worst, kom-eens-bij-het-baasje. Soms kwam Blok opeens uit die stoel en legde zijn kop op iemands knie.

De hond Walter was een pionier. Dit seizoen - toch pas halverwege - telt een stoet aan dieren gespeeld door acteurs. Naast de hond Jakob Derwig bij 't Barre land, waren er de varkens Linda Olthof, Bram Coopmans en Bert Luppes uit het tweeluik Varkens/Boeren van ZT Hollandia en de bejaarde zwaantjes uit Het Zwanenmeer dat Sanne van Rijn maakte met de inwoners van een bejaardentehuis in Den Bosch. Carver speelt op dit moment Pi, Po, Pu, Pa en Pe over een vijfkoppige muizenfamilie, in Mongoolse Dansen van Truus Bronkhorst en Marien Jongewaard dragen de danseressen hertengeweien. In de bioscoop, tenslotte, is er Minoes, over de kat die in een vrouw verandert, maar ook niet helemaal.

Het is een maf stel fabeldieren bij elkaar, curieuze mengsels van menselijke en dierlijke eigenschappen. Carice van Houten blaast en krabt in haar rol van Minoes als de beste, zij eet haar sardientjes met kleine precieze hapjes. Maar in haar trippelende lopen en nerveuze, trekkerige bewegingen lijkt zij soms meer op een vogeltje en haar blik is niet die van een kat, maar van een juffrouw. Bert Luppes is in de voorstelling Nageslacht, een deel van het Hollandia-tweeluik, een elegant varken met een klein snuitje. Sierlijke damesschoenen vormen zijn hoefjes, hij is naakt op zijn onderbroek na, en wrijft koket over zijn blote buikspek. Van snuit tot staart is hij op liefde ingesteld; geen wonder dat de boerin van hem houdt. René van 't Hof, misschien wel de mooiste muis uit de voorstelling van Carver, stopte in zijn rol een maximum aan imitatie. Hij heeft voor de gelegenheid oren, tandjes en een lange staart gekregen, maar het muizigst - en ook het grappigst - is de manier waarop hij alles wat hem overkomt in rennen vertaalt, iets waarvan je je goed kunt voorstellen dat muizen het doen, de verklaring voor dat onbegrijpelijke muizenpatroon van hollen en wachten. Menselijk is de manier waarop hij een zak chips leegeet, en dan met volle mond verstoord opkijkt, als een verveelde puber.

De fixatie op vreten is iets dat de meeste acteurs die dieren spelen met beide handen hebben aangegrepen; de worstvreugde van Derwig, het gekrakeel van de muizen om een stuk oud brood, de trance van Carice van Houten bij het zien van sardientjes - wie een dier moet spelen, vindt in honger zijn houvast.

Dierimitaties zijn misschien wel de oudste vorm van toneelspel, net zoals de eerste tekeningen tekeningen van dieren waren en de eerste op schrift gestelde vergelijkingen een man sterk noemden als een leeuw. Nog altijd wordt een kind nog bijna voordat het kan praten geleerd een dier na te doen, te beginnen bij het geluid. Zijn leven lang volgt het kind vervolgens dezelfde methode van beestengeluid en beestenmotoriek als het een dier wil nadoen - volwassenen hebben zo hun eigen gelegenheden om te blaffen of een aap te imiteren. Aan beestenhonger wordt niet snel gedacht, laat staan aan ogen. Acteurs denken daar wel aan; maar zij worden dan ook geacht ons te tonen wat er in die harige schedels omgaat, zeker in een toneelstuk voor volwassenen.

Daarvoor zijn de ogen het middel, want in de verhouding tussen mens en dier draait het om ogen en kijken, om zien en niet willen zien. Dat schrijft tenminste de cultuurcriticus John Berger in Why look at animals, een bekend essay over de kwestie mens-dier uit 1977. In vroeger tijden stonden wij nog oog in oog met ons diner, luidt kort samengevat zijn betoog. De verhouding mens-dier was nog min of meer gezond, de balans tussen vlees, vrees en vertedering intact. De industriële revolutie heeft afstanden tussen wezens vergroot en dat organische evenwicht grondig verstoord. Het dier is uit ons blikveld verdwenen. We kijken het niet meer in de ogen, maar treffen het als anoniem product op ons bord, of we hebben het uit zijn natuurlijke omgeving losgemaakt en het als belichaming van puurheid en schoonheid tot een soort kind vervormd. Tegen onze katten kirren we net zo hard als tegen de lieve ijsberen in de dierentuin, de aangeklede dieren in onze kinderboeken, tegen Mickey Mouse en Donald Duck. De dieren zijn net kleine mensen, of de dieren zijn sappig vlees. Daartussen zit een brede kloof, anders houden we die inconsequentie niet in stand.

Maar zo bezorgen we dieren onnoemelijk veel lijden, betogen behalve dierenliefhebbers ook wetenschappers als Berger, de Leidse hoogleraar rechtsfilosofie Paul Cliteur, die pleit voor het wettelijk vastleggen van dierenrechten en de bio-ethicus Peter Singer, wiens werk met de MKZ-crisis weer onder de aandacht kwam. Singer noemt onze behandeling van dieren speciesism, discriminatie van soorten anders dan de mens. In zijn ogen is speciecism een vorm van apartheid die niet onderdoet voor racisme en seksisme en waarvoor vegetarisme misschien wel de enig denkbare oplossing is.

Dierenliefhebbers met een psychologische inslag drijven de inleving soms zelfs nog verder; meer nog dan de andere sekse is het dier onze fundamentele Ander, door wiens ogen we, als we maar willen kijken, uiteindelijk ook onszelf kunnen zien. Wie is er bang voor de boze wolf?

Vandaar dat theatermakers naar muizenoren en varkensstaarten grijpen als ze iets over mensen willen zeggen. Meer dan elke andere rol zegt een dierenrol iets over menselijke projectie - over wat mensen denken dat dieren denken. Volgens de ijzeren kaatswet van de projectie zegt dat vervolgens weer alles over de mensen zelf. Zo bekeken is het nog maar de vraag wie van de twee soorten er nu eigenlijk het meest gefixeerd is op voedsel.

Maar los daarvan is een theater een goede plek om het dier weer eens in de ogen te kijken; de afstanden zijn er klein, de confrontaties direct en de moraal nooit erg veraf, dus wie weet wat deze nieuwe fabelwezens ons te vertellen hebben over de verhouding tussen mens en beest. Van de reclame hoeven we in dit opzicht bijvoorbeeld niet veel te verwachten. Al zijn dieren daar nog zo populair, het draait er nog altijd om het prehistorische principe van het annexeren van dierlijke kwaliteiten voor het menselijk ideaal. Vroeger was het de leeuw die de mythische krijger moest verbeelden, nu is het de tijger wiens acceleratievermogen de auto tot eer moet strekken of de zwaan, wiens majesteit, geruisloosheid en de schone energie we moeten associëren met, ja echt, het vliegtuig. Nee, dan is het met de breekbare bejaarde zwaantjes uit Het Zwanenmeer van Sanne van Rijn heel anders gesteld.

`Uit mijn eigen ogen te verdwijnen, dat is een hele kunst', zegt de echtgenote in Pi, Po, Pu, Pa en Pe. Mens en muis kijken elkaar vaak aan in deze voorstelling. De vijf muizen, met lange staarten en knaagtandjes, wonen in hetzelfde huis als deze vrouw (Joke Tjalsma) en haar autoritaire en overspelige echtgenoot (Helmert Woudenberg). Aanvankelijk leven de twee partijen langs elkaar heen, maar onder aanvoering van de brutale pubermuis Pi verleggen de muizen hun territorium steeds een stapje. Ze eten de ijskast leeg, kijken 's nachts met zijn allen naar de televisie. De vrouw des huizes is eenzaam, zij wil graag `iets zijn uit een groep, een school, als van vissen' en begint een verhouding met Pi. Het spreekt vanzelf dat haar echtgenoot hiertegen in het geweer komt. En dan is het oorlog.

Afgezien van die staarten wijken rolverdeling en plot van Pi, Po, etcetera niet af van eerdere, niet-muizige Carver-voorstellingen. Alleen al daaruit blijkt hoezeer de dieren in deze voorstelling hun gebruikelijke rol vervullen: die van lachspiegel voor mensen. Ook onder muizen, zo blijkt bijvoorbeeld, heb je rekkelijken en preciezen. Met zijn allen kijken de vijf muizen naar een tekenfilm van Mighty Mouse. `Vernederend,' vindt Pa, `Onschuldig amusement,' zegt Pe. De kwestie dieren-in-de-kunst - ook de muizen zijn er nog niet uit.

Het spreekt vanzelf dat de muizen in één opzicht wel verschillen van de mensen. De dieren zijn de goede wilden; meer primair en moediger dan hun huisgenoten, niet geplaagd door complexen, minder repressief tegenover andere soorten. In tijden van crisis hanteren ze vlot het communicatiemodel. Als volleerde vakbondsleiders proberen ze te onderhandelen - `luister, dit is voor ons een onwerkbare situatie,' zegt Pu - terwijl de machtsfiguur, de baas des huizes, alleen de taal van muizengif spreekt. De muizen moeten vervolgens verliezen incasseren, maar het is logisch dat de autoritaire echtgenoot uiteindelijk de ware verliezer blijkt, precies zoals de laaghartige meneer Ellemeet het in Minoes aflegt tegen de slimheid van de verzamelde katten en ook de kleine big Babe uit de gelijknamige film door zijn vriendelijkheid en slimheid alle tegenstand en slechtheid overwint. Daarom mag Babe blijven leven, heel ongebruikelijk voor een karbonaadje, en komt zijn verhaal elk jaar rond kerstmis bij wijze van absolutie op televisie, als tegenwicht voor al die gebraden reeruggen en kalkoenen. Want ja, de zachte krachten zullen winnen. In verhaaltjes dan.

Bij de honden gaat het er realistischer aan toe. In het toneelstuk van Alex van Warmerdam heeft de rijke vrouw Adel Blank nog maar een paar dagen te leven. Haar familieleden heeft ze rollen toebedeeld, die ze zich laten aanleunen omdat ze allemaal op haar geld uit zijn. Peter Blok speelt dus een mens die een hond speelt, de hond Walter is een hond omdat de hond het zinnebeeld is van het laagste in de huishiërarchie.

Bij de hond Sjarik, afkomstig uit Boelgakovs roman Hondehart (1925), draait het om zijn opportunisme. Sjarik is een sloeber, een armoedige allemansvriend, net als zijn baas, die Sjarik tot mens verbouwt omdat hij denkt hierbij te winnen. Net zo makkelijk verandert hij Sjarik weer terug in een hond als hem dat beter uitkomt. Net zoals de hond, volgt de mens wie hem een worst voorhoudt.

Gelukkig blijft het niet bij deze fabels van Aesopus alleen. In Minoes wordt bijvoorbeeld geestig gegoocheld met de inconsequenties van het menselijk inlevingsvermogen - de opgezette dieren aan de muur van Ellemeets huis zijn kwalijk, maar de sardientjes zijn in de film vogelvrij - en in Pi, Po, etcetera spreekt een der muizen de beroemde monoloog van Shylock uit Shakespeare's Koopman van Venetië uit. `Als jullie ons steekt/bloeden wij dan niet? Als jullie ons vergiftigt,/ sterven wij dan niet?' Peter Singer, die het vermogen tot inleving een van de kenmerken noemt van een vergevorderde beschaving, zou tevreden zijn.

Ernaar handelen is overigens een tweede, moeten ook Singer en Paul Cliteur toegeven. De MKZ-crisis leverde pagina's vol ingezonden brieven op over de gruwelijkheid van al dat dierenleed, maar het lijkt onwaarschijnlijk dat veel van de briefschrijvers zich tot het vegetarisme hebben bekeerd. Aan het wezen van de intensieve veehouderij is nog niet getornd.

Over deze tragedie voor varkens en boeren maakte ZT/Hollandia eerder dit jaar de voorstelling Varkens/Boeren. De twee nieuw geschreven stukken gaan in eerste instantie over de boeren, maar de schrijvers hebben de varkens ook een stem gegeven. Dieren en mensen zitten in hetzelfde schuitje, niet zozeer opgesloten in een dolgedraaide economie, alswel verenigd in een kosmische cirkel van dood en liefde. Dat boerinnen hun verrekens fokken voor de slacht, staat hun liefde voor de dieren niet in de weg. En ook de varkens zijn het stadium voorbij dat ze nog iets aan hun lot willen veranderen. Wel hebben ze het verteerbaar gemaakt door de volgende redenering: de varkens hebben zich in dienst gesteld van de mens `om door de mens te worden opgegeten/en zo de mens te maken/tot een hoger varken'.

Bij de slacht sluit de cirkel zich dus. Mens en dier kijken elkaar in de ogen en krijgen beiden zicht op hogere waarheden. Het is het patroon van J.M. Coetzee's roman Disgrace, waarin een professor zich verzoent met het oneindig wrede en onbegrijpelijke bestaan als hij doodzieke zwerfhonden moet doden.

Zo transformeren de schrijvers, de toneelschrijvers van Hollandia net zo goed als Coetzee, een tragedie-uit-de-krant tot een tragedie-met-klassieke-allure. De schrijnende ongerijmdheden op aarde worden gesmoord in een verwijzing naar een kosmische orde waarin alles en iedereen zich neer moet leggen bij het lot. Liefde wordt gesmoord in bloed, dat is van de tragedie al eeuwen de louterende oerwet. Maar bij Hollandia strekt die wet zich voor het eerst uit voorbij de grenzen van de menselijke soort, tot aan de varkens. Dat is voor de varkens hoopvol, al maakt het voor hun overlevingskansen weinig uit.

In een van de voorstellingen van Hollandia krijst, dan wel juicht het `koor' van de varkens Bram Coopmans en Linda Olthof overal doorheen, woest gooien ze zich tegen de wanden van hun stal. Net zo fungeren in Mongoolse Dansen van Bronkhorst en Jongewaard de danseressen met hertengeweien tegenover de mannelijke dansers als symbolen van onschuld en ongetemde levensdrift, zaken die al sinds mensenheugenis op dieren worden geprojecteerd. Natuurlijk komt onschuld ook hier voor de val, maar er gebeurt ook nog iets anders: tegen het eind van Mongoolse Dansen verschijnt in een utopisch beeld een trotse danseres op spitzen. Op haar hoofd heeft zij een wit gewei, in haar handen een zwart automatisch geweer. Bambi komt eindelijk in opstand.

`Je moet dit niet zien als een einde, maar als een nieuw begin,' zegt de echtgenoot in Pi, Po, Pu, Pa en Pe tegen zijn vrouw na het verdelgen van de muizen. Maar waar is zijn vrouw? Die is uit haar eigen ogen verdwenen: ze woont voortaan in het muizenhol. Anders dan Minoes, die voor het juffrouwschap opteert en in de film zelfs netjes trouwt met een mens, kiest deze mens ervoor verder te leven als dier. Triomfantelijk kijkt ze ons in de ogen, niets is er over van de afgematte blik die ze als echtgenote nog bezat. Muis Joke Tjalsma heeft een hoopvolle uitweg gevonden. Als dieren de gedaante van mensen aannemen, wordt aan de patstelling tussen mensen en dieren niet getornd. Pas als mensen zich daadwerkelijk in dieren verplaatsen, is er kans op verandering.

't Barre land speelt `Hondehart' t/m 14 mei. Informatie: 030 2316142 of www.barreland.nl.

Carver speelt `Pi, Po, Pu, Pa en Pe' 16 t/m 26 januari in Bellevue Amsterdam 020 5305301

`Mongoolse Dansen' van Truus Bronkhorst en Marien Jongewaard is t/m 27 april te zien, informatie: 020 693 45 51 of www.truus-bronkhorst.com.

`Minoes' draait in bioscopen in het hele land.