De witte spin

Hoewel ik niet kan skiën, zat ik plotseling in een Zwitsers hotel met uitzicht op een helling waar de skiërs met luchtig gemak vanaf daalden. Het boek dat ik aan het lezen was beviel me niet. Dus ging ik naar de lobby, huurde een slee en klom naar het dorp. Daar zette ik mij op mijn slee, roetsjte naar beneden, waarbij ik ternauwernood een tegemoetkomend snowmobiel wist te ontwijken. Toen was ik weer in het hotel. Het boek dat ik aan het lezen was beviel me nog steeds niet.

In de lobby vond ik een folder over de Jungfraubahn, het treintje dat dwars door de Eiger naar een station onder de top van de Jungfrau rijdt. Je bent dan op 3454 meter hoogte. De Jungfrau is een machtige berg waar Freud nog over heeft geschreven, maar is de Eiger niet de schrik van iedere bergbeklimmer? Ik meende me zelfs te herinneren dat niet zo lang geleden twee Japanners op de gevreesde Nordwand waren verongelukt en dat zij daar in hun gekleurde slaapzakjes nog steeds hingen, goed geconserveerd door de vrieskou en buiten bereik van de reddingshelikopters.

Voor het eerst had ik een doel! Ik wilde die lijken wel eens zien hangen.

Ik pakte mijn verrekijker, liep naar het dorp en kocht een kaartje dat 120 gulden bleek te kosten. Een kwartier later stommelde mijn treintje door een verbitterd sneeuwlandschap. Af en toe passeerden wij een eenzaam gelegen hotel, waar binnen de kaarsjes brandden in een feestelijke kerstversiering.

Aan de voet van de Eiger hield de trein halt. Ik stapte uit en keek omhoog naar een kwaadaardige bergwand, die eerst loodrecht uit de grond ontspringt en dan voorover helt alsof hij jou omknellen wil. Dit was de Eiger, de witte spin genoemd, waarvan de Nordwand eeuwig in de schaduw ligt.

Op de gok tuurde ik met mijn kijker de bergwand af. Niets dan scherpe punten en spelonken. Geen levend wezen te zien, geen vogels, zelfs geen lijken. Natuurlijk waren die lijken niet meer dan speldenknoppen en zou ik ze kunnen waarnemen als ik maar wist waar ik kijken moest. Toch enigszins beschaamd liep ik naar de conducteur die nog bij het rijtuig stond en vroeg hem waar de lijken hingen. Hij keek mij niet begrijpend aan.

Ik richtte mijn kijker nogmaals op de wand, maar kon niets ontdekken van wat ik zocht. Toen stapte ik weer in, op weg naar de laatste halte. Na een korte bocht boorde de trein zich in het graniet van de Eiger en minuten lang reden wij schuin omhoog door een enkelspoortunnel. Ten slotte stopten wij onder de top van de Jungfrau.

Er is daar een meteorologisch gebouwtje waar je buiten op een platform kunt staan. Het was vijftien graden onder nul en de wind snijdt er letterlijk je adem af. Ik ging naar het restaurant, dat vanuit hoge ramen uitzicht heeft op een gletsjer. Ik bestelde een flesje wijn en keek naar buiten. In de verte ploegden zeven mannen, verbonden met touwen, over het ijs. Door mijn kijker kon ik ze heel goed zien. Het flesje wijn werd voor me neergezet. Er was een reddingsactie aan de gang, twee klimmers waren in een spelonk gevallen, kreeg ik te horen.

Toen daalde volkomen onverwacht een sneeuwstorm neer, waardoor het leek alsof de hoge ramen veranderden in een aquarium vol witte vlokken. Het trok niet meer op. De volgende dag las ik in de krant dat een klimmer het niet had gered. Van de ander waren de armen en benen afgevroren.