Bernlef

Het artikel `Is de bard Bernlef de vader van de Friese poëzie?' (CS 21 dec.) meldt dat de bard Bernlef gezien werd als de grondlegger van de Friese poëzie (bij gebrek aan Oudsaksische erfgenamen). Helaas gaat het artikel daar niet verder op door. Gesteld kan namelijk worden dat de Heliand aan de oorsprong van de Nederlandse letterkunde staat, die dan meer dan tweeënhalve eeuw verder teruggaat dan het mini-gedicht `hebban olla vogala nestas' uit omstreeks 1100. Daarop wordt ingegaan in mijn boek Breukelen en omgeving tussen 400 en 1200. Middeleeuwse geschiedenis vanuit een plaatselijke gezichtshoek (Verloren, Hilversum, 2001). De Oudsaksische taal van de Heliand is vergelijkbaar met die van de Utrechtse doopbelofte uit de achtste eeuw en staat niet dichter bij het toenmalige Duits dan bij het toenmalige Nederlands.

Talen van West-Germaanse origine, zoals Fries, Saksisch en Duits, vertoonden toen nogal wat overeenkomst. Historici groeperen een aantal geschriften als producten van de Utrechtse school. Deze hoeven niet noodzakelijkerwijs in de beroemde vroeg-middeleeuwse Utrechtse Domschool te zijn geschreven, ze kunnen ook gemaakt zijn door mensen met een Utrechtse achtergrond die later naar elders waren uitgezworven. Bernlef was nauw bevriend met Liudger (afkomstig uit de Utrechtse Vechtstreek), die zijn leven lang nauwe banden had met de Utrechtse Domschool en de Heliand is gebaseerd op de door Liudger gebruikte evangeliënharmonie. Tot de Utrechtse school worden ook gerekend de levensbeschrijving van abt Gregorius, door Liudger, en de levensbeschrijving van Liudger, door zijn neef Altfried. Er zijn goede redenen om ook de Heliand tot de Utrechtse school te rekenen. Een gedachte die al eerder werd geuit door de Utrechtse emeritus-hoogleraar dr. G. Quispel. De Duitse literair-historici zijn voortvarender geweest dan de Nederlandse in het claimen van de Heliand, maar het is de vraag of ze dat terecht hebben gedaan. Mogelijk is hier sprake van `geroofd cultuurgoed'.