`Multiculti'-cursus voor imams

Imams met een tijdelijke verblijfsvergunning moeten een verplichte inburgeringcursus volgen. Wat moeten ze opsteken van Nederland?

De naar verwachting 30 imams van Turkse afkomst die dit jaar als eersten een verplichte `stoomcursus multiculturele samenleving' volgen, moeten na afloop weten hoe Nederland als migratieland functioneert. Ze moeten weten wat de consequenties zijn van de Grondwet voor alle ingezetenen, homoseksuelen, vrouwen, etnische minderheden. Minister Van Boxtel (integratiebeleid) somt in de circulaire Inburgering van geestelijke bedienaren, een handleiding voor gemeenten, op waar de imams met een tijdelijke verblijfsvergunning aan moeten voldoen.

Zo moeten de imams kennis hebben van ,,actuele kwesties in Nederland, zoals het dragen van hoofddoekjes, besnijdenis, eerwraak of het hanteren van eigen taal. De cursisten, in de circulaire overigens `leerders' genoemd, moeten na afloop weten hoe het Nederlandse bestuurlijk stelsel in elkaar steekt, dat kerk en staat hier gescheiden zijn en hoe het allochtonenbeleid werkt.

Per cursist kost die inburgeringcursus zo'n 12.000 gulden. Vooralsnog richt die zich op Turkse Diyanet imams, die in Turkije al een eerste inburgeringscursus gevolgd hebben. Een speciaal `leerwoordenboek' voor geestelijke bedienaren moet hen wegwijs maken in de terminologie van overheidsinstanties, onderwijs, de `arbeidsmarkthoogtijdagen' en feestdagen van de in Nederland aanwezige geloofsrichtingen, de religieuze terminologie uit de islam, het christendom, het hindoeïsme en het joodse geloof. De cursisten moeten de woorden uit het boek kunnen begrijpen en herkennen. ,,Productief gebruik is op dit niveau nog niet aan de orde.''

Na een algemene inburgeringcursus krijgen de imams een centrale vervolgopleiding waar zij er bewust van worden gemaakt dat ,,hun functie hier anders kan zijn dan in het land van herkomst''. Hij moet op de hoogte zijn van de ,,kansen en bedreigingen waar etnische minderheidsgroeperingen mee te maken hebben'', en kunnen omgaan met informatiebronnen als bibliotheek en internet.

In de nota wordt gesproken over een traject dat bestaat uit tien bijeenkomsten, aangevuld met praktijkopdrachten en zelfstudie. In de circulaire wordt opgesomd waar die praktijkopdrachten uit kunnen bestaan: `een internetopdracht en een bezoek aan een buurthuis, (...) een bezoek aan een zelforganisatie naar keuze, (...) een bezoek aan een relevante instantie naar keuze, zoals een jeugdinrichting, (...) Een plenaire presentatie houden in het Nederlands'.

Na de bijeenkomsten krijgen de `leerders' een certificaat, op voorwaarde dat ze aanwezig waren op de laatste bijeenkomst en een presentatie hebben verzorgd, voldaan hebben aan een `aanwezigheidseis van 80 tot 100 procent' en de resultaten als voldoende zijn beoordeeld `door deelnemer en docent'. Overigens staat er geen sanctie op het niet halen van het certificaat, het heeft ook geen gevolgen voor de verblijfsstatus van de cursist.