Kleine landen waren zegen voor euro, maar hoe lang nog?

Ondanks de jubelstemming over de invoering van de euro zijn er nog steeds geduchte gevaren en bedreigingen voor de gemeenschappelijke Europese munt, meent Melvyn Krauss.

Nu de historische overstap van de nationale munten op de euro dan eindelijk heeft plaatsgehad, kan Europa gerust zijn: de nieuwe munt is niet de `inflatiemunt' die sommigen hadden verwacht en gevreesd. Ondanks een voortdurend spervuur van kritiek van de media, geldmarkten en politici, heeft de Europese Centrale Bank (ECB) een ondubbelzinnig en standvastig beleid van prijsstabiliteit gevoerd. Het aangename resultaat is dat de munt die vanaf nu in twaalf landen bij de mensen in hun zakken rinkelt, zijn waarde zal behouden. De inflatie in de eurozone zal naar verwachting begin volgend jaar dalen tot een jaarcijfer van 2 procent – of misschien wel minder – waarmee de ECB voldoet aan zijn opdracht om voor prijsstabiliteit te zorgen.

Maar ook al is een gelukwens aan de ECB op zijn plaats, er bestaan nog steeds geduchte gevaren en bedreigingen voor de gemeenschappelijke munt. In de allereerste plaats – en dat zou eventueel tot een hernationalisering van de monetaire politiek in Europa kunnen leiden – dreigt er een vermindering van de invloed die kleine landen hebben op het besluitvormingsproces van de ECB.

In de huidige bestuursraad van de ECB heeft de stem van het kleine Nederland hetzelfde gewicht als die van het grote Duitsland. Het wordt niet algemeen erkend, maar het uitstekende `niet-inflatoire' begin van de gemeenschappelijke munt is in hoge mate te danken geweest aan dit stelsel van `één stem per land'. De meest consequente voorvechters van prijsstabiliteit in de bestuursraad waren de kleine landen als Nederland, Oostenrijk, Finland en Ierland.

Historisch gezien hebben kleine landen ofwel niet de macht om binnen de Europese Unie hun eng-nationale belangen na te streven, ofwel ze vereenzelvigen zich meestal met het bredere Europese belang. Grote landen daarentegen volgen dikwijls hun nationale agenda.

Duitsland bijvoorbeeld vertegenwoordigt circa 30 procent van het bruto binnenlands product van de eurozone. Het heeft ook de traagst groeiende economie van Europa. Als het gewicht van Duitsland in de bestuursraad niet werd bepaald door één stem per land maar door zijn relatieve gewicht in de economie van de eurozone – en dat wordt door sommigen in Duitsland bepleit – zou de prijsstabiliteit in euroland wel eens ondermijnd hebben kunnen worden. Het Duitse nationale belang bij een soepel monetair beleid zou botsen met het Europese belang bij prijsstabiliteit.

Het stelsel van één stem per land belet grote landen het Europese bouwwerk te gebruiken voor hun eigen eng-nationale belangen. Daardoor voorkomt het de hernationalisering van het Europese monetair beleid en een verlies aan geloofwaardigheid van de ECB.

Het beleid om alle landen hetzelfde gewicht toe te kennen, vergroot tevens de kwaliteit van de discussie en besluitvorming binnen de bestuursraad. Op dit moment weegt een goed argument van een kleine nationale centrale bank in de raad zwaarder dan een slecht van een grote nationale centrale bank. Uit meritocratisch oogpunt hoort dat ook zo. Als alleen de grote nationale centrale banken telden, zouden slimme mensen uit kleine landen niet zo gauw hun mond opendoen.

Ondanks de duidelijke voordelen die de kleine landen de ECB te bieden hebben, is er een aantal redenen om aan te nemen dat hun macht en invloed de komende jaren weleens zouden kunnen tanen.

Laten we om te beginnen eens aannemen dat ECB-president Wim Duisenberg in de loop van 2003 terugtreedt. De keuze van `Willem de Zwijger' als eerste president van de ECB is een meesterzet gebleken. Doordat hij afkomstig is uit een klein land met onberispelijke internationalistische geloofsbrieven, houdt Duisenberg er geen nationalistische agenda op na. Het `Europees belang' is Duisenbergs enige belang. Bovendien is zijn stijl van leidinggeven gericht op consensus en hebben dus alle landen, ook de kleine, een volwaardige stem in het besluitvormingsproces.

Doordat de standvastige Nederlander vermoedelijk zal worden vervangen door een Fransman – zelfs een zo vooraanstaand en begaafd man als Jean-Claude Trichet (en het is nog helemaal niet zeker dat hij wordt vervangen door Trichet, want hem hangt in eigen land nog altijd een schandaal boven het hoofd ) – is het uiteindelijke vertrek van Duisenberg des te zorgelijker. Frankrijk is een groot land, maar niet zomaar een groot land: Parijs is nooit teruggedeinsd voor pogingen om het internationale bouwwerk te gebruiken ter bevordering van zijn eigen eng-nationalistische doelstellingen. Sterker nog, de herhaalde Parijse pogingen om Duisenberg als ECB-president te wippen verraden zo'n ongepaste machtshonger in dit verband dat er reden te meer is tot zorg.

Een groot land met een nationalistisch beleid aan het roer van de ECB zou onherstelbare schade kunnen toebrengen aan de jonge Europese Centrale Bank en de gemeenschappelijke munt. Dus zal de ECB voor een vuurproef staan als Frankrijk het presidentschap overneemt. De partijen op de geldmarkt zullen zoeken naar tekenen dat de ECB overmatig wordt beïnvloed door de nationale belangen van één lidstaat en zullen dat de euro betaald zetten.

Een tweede factor die mogelijk ten koste zou kunnen gaan van de invloed van de kleine landen in de ECB is de toetreding van tien nieuwe landen tot de Europese Unie in 2004. Vroeg of laat zal een aantal van die nieuwe leden zich voor het lidmaatschap van de Economische en Monetaire Unie kwalificeren. Op de top in Nice is afgesproken een mogelijke hervorming van de bestuursraad niet uit te sluiten, teneinde te voorkomen dat die in het licht van een dergelijke uitbreiding onhanteerbaar wordt.

Voor degenen die menen dat de stemprocedure in de bestuursraad bij de toetreding van nieuwe EU-lidstaten moet worden hervormd, is de oplossing opgelegd: om de invloed van de kleine landen in een vergrote ECB te behouden dient er voor alle centrale banken van de lidstaten een roulerend lidmaatschap te komen. Elke nationale bank – groot of klein – wordt een bepaalde afgesproken periode uit de bestuursraad verwijderd. Wat moet worden voorkomen is de instelling van permanente lidmaatschappen. Helaas is dat juist het idee waarmee de grote landen spelen: die zien zich al als de permanente leden van de `hervormde' bestuursraad.

Maar een permanent lidmaatschap van de bestuursraad voor grote landen en een roulerend lidmaatschap voor de kleine schendt het grondbeginsel van de ECB dat alle landen gelijk behandeld moeten worden. In zo'n discriminerend systeem zou het stelsel van één stem per land alleen heel oppervlakkig opgaan: de stem van een klein land dat in de raad zit, zou weliswaar even zwaar tellen als die van het grote Duitsland, maar het grote Duitsland zou altijd in de raad zitten en het kleine Luxemburg niet. Deze feitelijke ontneming van het kiesrecht aan kleine landen bergt het risico in zich van een hernationalisering van het Europese monetair beleid.

Ondanks de huidige jubelstemming is het verstandig de problemen rond de toetreding van nieuwe EU-lidstaten niet te vergeten. Wil de ECB succesvol blijven, dan mogen de grote landen niet de kans krijgen de kleine lidstaten van hun invloed te beroven. De nieuwe munt verdient beter dan op de klippen van het nationaal belang te lopen.

Melvyn Krauss is verbonden aan het Hoover-instituut van de Stanford-universiteit.

© The Wall Street Journal Europe