De rivieroverstromingen

In 1993 en 1995 had Nederland te kampen met ernstige wateroverlast van de Rijn en de Maas. De paniek was vooral in 1995 zo groot dat het rivierengebied ontruimd werd. Sindsdien hebben rivieroverstromingen hun plaats in het collectieve geheugen van de Nederlanders teruggekregen.

Voor de laatste grote dijkdoorbraak in het rivierengebied moeten we terug tot 1926. Of beter nog: naar oudejaarsdag 1925, toen de pastoor van Overasselt tijdens de vroegmis onderbroken werd door de onheilstijding dat de Maasdijk was doorgebroken. Nadat zuidwesterstormen met veel regen het land al een weeklang geteisterd hadden, zakte halverwege Overasselt en Nederasselt een stuk van de dijk in elkaar alsof het nat zand was. De Maas stortte zich met een verval van ruim anderhalve meter in de polder. Door een snel groter wordende opening werd een diep gat in het weiland uitgespoeld – een zogeheten `wiel'– en werden duizenden tonnen zand over de omliggende akkers uitgespreid.

Voor de dorpsbewoners zat er niets anders op dan het hogerop te zoeken. Zij die geluk hadden, konden ermee volstaan om have en goed naar de zolder of opkamer te slepen. Maar wie laag woonde moest met de beesten vluchten naar de hoogste plaatsen van het dorp. Van oudsher waren de kerkgebouwen de favoriete plaatsen om een veilig heenkomen te zoeken. Toen in de eerste januaridagen van 1926 het hele Land van Maas en Waal onder water liep – de hoogste waterstand werd op 7 januari bereikt – werd het in veel kerken letterlijk een beestenboel. Een verbaasde journalist trof in de kerk van Altforst, tot ongenoegen van de predikant, een pasgeboren kalf in de preekstoel aan.

Door snel ingrijpen van genietroepen – die hulpgaten in de dijken maakten om het overvloedige water te lozen – bleef de doorbraak beperkt tot de Maasdijk en hielden de dijken langs de Rijn stand. De noodhulp aan de getroffenen kwam snel op gang. Op grote schaal werden mariniers ingezet om de bewoners naar droger oorden te brengen. In totaal 5.700 mensen, meer dan een kwart van de ruim 20.000 inwoners van het gebied, zagen zich genoodzaakt hun huizen te verlaten. Ze vonden onderdak in Tiel, Den Bosch, Nijmegen, Arnhem en Tilburg.

De zachte dwang die daarbij werd uitgeoefend pakte ook wel eens verkeerd uit, zoals een marinier merkte toen een vrouw hem met een koekenpan te lijf ging. Ook de politie, die op grote schaal patrouilleerde om plundering van verlaten huizen tegen te gaan, deed bijzondere ervaringen op. In Leeuwen werd, in een huis dat als ontruimd te boek stond, een vrouw in overspannen toestand onder een beddenlaken aangetroffen bij een zeug die zojuist 14 biggen had geworpen. Met de biggen zou de pacht betaald moeten worden. Maar alleen de zeug kon gered worden.

In het getroffen gebied was de schade groot. Voor herstel was ruim tien miljoen gulden nodig (4,5 miljoen euro). Minister-president H. Colijn, op dat moment demissionair, verklaarde al in de eerste week van januari 1926 dat dijkdoorbraak geen nationale ramp was. Mensen die in een laaggelegen gebied tussen de rivieren wilden wonen dienden zélf de dijken op peil te houden. De rijksoverheid zou met geen cent over de brug komen. Deze opstelling staat haaks op het regeringsbeleid ten aanzien van de windhoos van Borculo in 1925. Toen was het minister De Geer van binnenlandse zaken die zelf het initiatief nam voor de oprichting van het Nationaal Steuncomité Stormramp. Colijn zag de discrepantie niet en redeneerde dat `een cycloon niet door menschenhand geweerd kan worden; het water daarentegen diende geweerd te worden door degenen die het deren kon'.

Gelukkig voor de gedupeerden was de 'Algemeene Vereenigde Commissie tot leniging van rampen door watersnood' (de AVC) wel bereid steun te verlenen. Met medewerking van de pers organiseerde de AVC een landelijke inzameling, die 4,7 miljoen gulden opbracht. Een klein deel daarvan ging naar Brabant en Limburg. De toekenning van de gelden bracht geen grote problemen met zich mee.

Het grootste deel van het steunfonds ging naar Gelderland. Maar hier ontstonden grote moeilijkheden met de provinciale bureaucratie. De Gelderse autoriteiten wilden absolute voorrang geven aan het herstel van de huizen, terwijl de AVC wilde dat ook oogst- en gewasschade vergoed zou worden. Er werd een compromis gevonden: het grootste deel was voor herstel van de huizen en en een kleiner deel voor de rest. In september was het voor het herstel van de huizen gereserveerde bedrag op. Het bedrag bleek alleen voldoende voor de bouw van noodwoningen en reparaties van beschadigde huizen. Met de herbouw van de totaal vernielde woningen was nog niet begonnen.

Tot ontsteltenis van de gedupeerde eigenaren, voor het merendeel armlastige arbeiders, werden zij verplicht, naast hun oude hypotheek op het vernielde huis, voor de helft van de nieuwbouwkosten een tweede hypotheek af te sluiten; de andere helft zou daarna van overheidswege vergoed worden.

Deze regeling bracht veel betrokkenen in een onmogelijke positie. Niet alleen werd zo de totale hypotheeklast voor hen hoger dan de waarde van hun huis, maar ook de aflossingen waren niet op te brengen. Onder zware pressie werden zij gedwongen de hypotheekakten te ondertekenen. Maar de meesten weigerden de aflossingen te betalen en regelmatig was het Land van Maas en Waal op oorlogssterkte als er weer een uitzetting op handen was.

Ondanks herhaalde verzoeken weigerde de regering een ruimhartiger steunbeleid. Een gevolg hiervan was dat een groot deel van de Maas en Walers aan het begin van de jaren dertig alle vertrouwen `in hen door wie ze bestuurd en vertrapt waren' verloren hadden en zeer ontvankelijk waren voor anti-democratische protestbewegingen. Dat de NSB in 1935 in Dreumel 12,5 procent van de stemmen behaalde, kan niet los gezien worden van de schaderegeling na de watersnood van 1926.

H. van Heiningen, Wee den vergetenen! De watersnood van 1926 en de wederopbouw van Maas en Waal (Wychen, 1985). G.P. van de Ven, e.a., Niets is bestendig De geschiedenis van de rivieroverstromingen in Nederland (Utrecht, 1995).