Supermodern en postmodern naast elkaar op Haags plein

Als er een prijs bestond voor de merkwaardigste architectuur, dan zou deze voor het jaar 2001 moeten gaan naar de winkels op Haagsche Bluf, het nieuwe pleintje in het centrum van Den Haag. Sommige Haagsche-Blufwinkels hebben gevels gekregen die kopieën zijn van nog bestaande of verdwenen gebouwen in Den Haag en Delft. Zo is de gevel van het Pagehuis aan het Lange Voorhout uit 1618 minutieus nagebouwd in Haagsche Bluf. Een ander pand heeft de gevel gekregen van een gebouw dat aan de Hooftskade heeft gestaan en al lang geleden is gesloopt. De ornamenten van dit pand zijn behouden gebleven en gebruikt bij de bouw van de kopie. Ook het bekende en nog bestaande glazen winkelpand in art-nouveau-stijl aan de Denneweg duikt plotseling op in het winkelcentrumpje. Verder is er onder meer een curieuze toren in `Venetiaanse stijl' gebouwd.

De Venetiaans-Romaanse toren is er gekomen omdat Gerard Stevers, de `Haagse vastgoedkoning' en geestelijk vader van Haagsche Bluf, er een op vakantie had gezien. Alleen dit maakt Haagsche Bluf al bijzonder: het winkelpleintje is niet ontworpen door een gewetensvolle architect met een natuurlijke afkeer van kopieën en imitatiestijlen, maar door een projectontwikkelaar zonder schroom. Stevers deinsde er niet voor terug om de logische consequentie te trekken uit de huidige populariteit van oude, vooroorlogse bouwstijlen: als oude stijlen zo geliefd zijn, waarom zou je die dan niet exact toepassen? En, als het taboe op imitatiestijlen toch is geschonden, zo lijkt Stevers verder te hebben gedacht, waarom zou je dan ook niet een mooi bestaand of verdwenen gebouw eens herhalen? Het Van Gogh Museum verkoopt tenslotte ook affiches van beroemde Van Goghs en goede kopieën zijn nog altijd beter dan slappe imitaties als de nieuwe `jaren-dertig-huizen' die de laatste jaren overal in Nederland opduiken.

Stevers heeft zich bij Haagsche Bluf niet beperkt tot een pleintje. Haagsche Bluf is vanuit vier straten (Nieuwstraat, Venestraat, Vlamingstraat en Groenmarkt) te bereiken door passages of nauwe straatjes. Vanuit de Groenmarkt gaat de bezoeker bijvoorbeeld door een passage waar rustieke houten balken ouderdom suggereren. Pleisterwerk waarin bakstenen zijn verwerkt vergroten op een Disney-achtige wijze de suggestie dat het om oude, versleten, maar weer opgelapte gebouwen gaat. Er is zelfs ergens een fresco aangebracht dat de indruk moet wekken dat het er al heel lang zit. Wel origineel zijn de fonteinen die op het pleintje zijn geplaatst: ze dateren uit de achttiende eeuw en komen uit Frankrijk.

Zulke onverbloemde Disney-architectuur als in Haagsche Bluf is uiterst zeldzaam in Nederland. Als het hierbij was gebleven, dan zou het winkelpleintje gemakkelijk kunnen worden afgedaan als pure kitsch, vervelende camp of gewoon als slechte smaak van een bluffende projectontwikkelaar. Maar er is meer aan de hand met Haagsche Bluf. De namaak oude gevels zijn namelijk geplaatst in strakke glazen gevels die in hun soort net zo extreem zijn als de gekopieerde gevels. Neutraler en nietszeggender dan de ondoorzichtige, lichtgroene glasplaten kan een gevel niet worden. De glazen gevels verdoezelen niet de kunstmatigheid van het pleintje, maar beklemtonen die juist, zodat Stevers niet kan worden beschuldigd van een laffe poging om een notalgisch oud-Hollands pleintje te creëren.

Het contrast tussen de gladde glasplaten en de rijk geornamenteerde gekopieerde gevels maakt Haagsche Bluf tot een volmaakte weerspiegeling van de hedendaagse Nederlandse architectuur. Twee polen kent de Nederlandse architectuur nu. Aan het ene uiterste staan de `supermodernistische' dozen. Sommige architectuurcritici beweren dat deze strakke, volkomen neutrale gebouwen die overal op de wereld zouden kunnen staan, passen bij deze tijd waarin de mondialisering en de IT-revolutie elke notie van plaats en tijd hebben vernietigd. De andere pool van de Nederlandse architectuur is het postmodernisme dat in de jaren negentig een verlate doorbraak beleefde in Nederland. De mondialisering maakt de behoefte aan een eigen plek alleen maar groter, zo redeneren de postmoderne architecten, en dus ontwerpen zij gebouwen die aansluiten op de traditie of passen bij de omgeving. In Haagsche Bluf zijn deze twee uitersten van de Nederlandse architectuur pal naast elkaar gezet, zonder enige poging de twee met elkaar te verzoenen. Het is alsof de Haagse vastgoedkoning Stevers heeft willen laten zien dat supermodernisme en postmodernisme even veel bestaansrecht hebben in deze mondialiserende wereld. Zo is Haagsche Bluf een bizar, vervreemdend winkelplein geworden, maar ontegenzeggelijk ook `een teken van deze tijd.'

Gebouw: Haagsche Bluf. Ontwerp: Gerard Stevers, Geste Vastgoed Ontwerp 1999-2000. Bouw: 200O-2001.