Spanje wil voor EU leidende rol in de wereld

Gewapend met de euro heeft Spanje, komend half jaar voorzitter van de Europese Unie, ambitieuze plannen voor Europa – en voor Spanje zelf.

Mondiaal leiderschap van de Europese Unie. Niet meer en vooral niet minder is de doelstelling die premier José María Aznar nastreeft met het voorzitterschap dat het komende half jaar door Spanje wordt bekleed. ,,Met de euro hebben we ons belangrijkste wapen voor de toekomst'', aldus de premier. ,,Het is het zaad voor het leiderschap dat we willen voor Europa in de wereld.''

Na de teleurstellende escapades van de Belgen zijn de ambities voor het Spaanse voorzitterschap groot te noemen. Aznars conservatieve Partido Popular had traditioneel nooit veel op met Europa. Maar niettemin: in de vijf jaar dat Aznar nu premier is, wist hij uit de schaduw te treden van zijn socialistische voorganger Felipe González, de man die als geen ander Spanje in Europa bracht. Onder Aznar kreeg Spanje een naam bij het binnenslepen van leuke ambtelijke posten in Brussel. Bij onderhandelen over subsidies of stemverhoudingen zet Spanje hoog in en is altijd bereid om een minder resultaat op te zouten en uit te spelen bij volgende onderhandelingen, zo constateren diplomaten uit andere landen jaloers. Ook buiten Europa staat Spanje zijn mannetje: Aznar heeft herhaaldelijk betoogd dat het hoog tijd wordt om zijn land toe te laten tot de top van geïndustrialiseerde landen en in de Veiligheidsraad.

De premier dreigt in toenemende mate het slachtoffer te worden van zelfoverschatting, zo menen evenwel zijn critici. Vooral sinds de Amerikaanse president Bush vorig jaar zijn eerste rondreis door Europa in Spanje begon, is het mis. Een columnist van het dagblad El País turfde in een recent interview met Aznar 45 keer het persoonlijk voornaamwoord ,,ik'', 32 keer ,,mij'' en 60 keer een werkwoord in de eerste persoon enkelvoud.

Verreweg het leukste moment voor zijn critici was het optreden van Aznar in het veel bekeken praatprogramma van Larry King op de Amerikaanse zender CNN, tijdens het bezoek dat hij vorige maand aan de VS bracht. King liet zijn gast eindeloos wachten en de premier was daardoor dermate van zijn stuk gebracht dat hij zenuwachtig en verkrampt op het scherm verscheen. Het gesprek duurde nog geen vijf minuten in plaats van het toegezegde half uur en werd in het Amerikaans gedubd zodat de kijkcijfers tot dramatische diepte zakten.

Dat alles neemt niet weg dat de terreurbestrijding, reeds lang tevoren door Aznar vastgelegd als prioriteit van het Spaanse voorzitterschap, feilloos past in de nieuwe realiteit die na de aanslagen van 11 september is ontstaan. Spanje heeft hier recht van spreken: na veertig jaar ETA, honderden doden en een Baskische regio waar de democratische grondrechten dagelijks gewelddadig met voeten worden getreden, weet het land waar terreur toe leiden kan. Aznar is in 1995 zelf op een haar na aan de dood ontsnapt bij een bomaanslag op zijn auto.

Ook de discussie over een gemeenschappelijk opsporings- en uitleveringsbeleid kent echter haken en ogen. Zo bekoelde de verhouding met de Italiaanse premier Silvio Berlusconi, waarin Aznar eindelijk een conservatief medestander dacht te hebben gevonden, nadat de Italiaanse premier dwars ging liggen in de Europese juridische samenwerking vanwege gerechtelijk spitten in zijn eigen verleden. Dat in Spanje zelf een strafonderzoek tegen Berlusconi loopt wegens fraude en belastingontduiking maakt de zaak er niet eenvoudiger op.

Potentieel risico vormt ook de positie van Spanjes minister van Buitenlandse Zaken Josep Piqué. Met veel kunst en vliegwerk wist de regering een onderzoek naar de betrokkenheid van Piqué bij een omvangrijke steekpenningenkwestie te blokkeren. Maar het valt niet uit te sluiten dat de zaak plotseling weer opborrelt, hetgeen uiterst pijnlijk zou zijn voor een land dat de internationale misdaadbestrijding zo hoog in het vaandel wenst te voeren.

Spanje staat sterk op het punt van de liberalisering van de economie. Maar ook hier is het oppassen geblazen. Hoewel veel is veranderd, blijven grote bedrijven als de communicatiereus Telefónica in eigen land de facto de markt beheersen. De Spaanse arbeidsverhoudingen gelden nog steeds als tamelijk rigide. En de openlijke wijze waarop Spanje met hand en tand zijn royale landbouwsubsidies verdedigt heeft niets te maken met welke liberalisering dan ook.

Uitgerekend aan de vooravond van zijn voorzitterschap kreeg Aznar een donderende ruzie met zuiderbuur Marokko, dat nu al maanden zijn ambassadeur heeft teruggeroepen. Marokko meent dat Spanje zich arrogant opstelt in zaken als de illegale immigrantenstroom, visserij-akkoorden en natuurlijk de Marokkaanse claim op voormalig Spaans Sahara. Rabat en Madrid praten niet meer met elkaar en dat is een vervelende zaak, aangezien Marokko naar bekend de banden met de Europese Unie wil aanhalen. Pijnlijk ook omdat Aznar zich – in navolging van González – graag profileert als potentiële vredestichter in het Midden-Oosten.

Het voorzitterschap biedt Spanje wellicht de mogelijkheid om andermaal het bestaan van de kroonkolonie Gibraltar aan de kaak te stellen. Kan Aznar dan de geschiedenis ingaan als de man die de rots terugbrengt onder Spaanse vlag? Minister Piqué kwam in november met zijn Britse collega Jack Straw overeen dat de zaak nog dit jaar uit de wereld geholpen moet worden. Een triomf, meende de Spaanse regering. Maar een teleurstelling is niet uitgesloten aangezien de Britten hebben herhaald dat instemming van de Gibraltarezen zelf vereist is. En die voelen niets voor aansluiting bij Spanje.

Maar dit is een bagatel vergeleken met de Europese ambities die Aznar met het EU-voorzitterschap koestert.