Radiodistributie

De laatste dag van het jaar was een bijzondere. De jongen stond in de kleine keuken en zag zijn moeder roeren in een teil met oliebollenbeslag. Hij had bij de bakker gist gehaald. Dat ging er nu doorheen. Gist was wonderlijk spul, dat het deeg moest laten rijzen. Het leek wel tovenarij, moeder werd er een beetje een heks van.

Ze zette de teil naast de kachel in de kamer met een theedoek eroverheen. Het beslag had nu rust nodig, tijd om uit te zetten, het zou langzaam omhoog komen.

De jongen nam plaats aan de andere kant van de kachel. Hij mocht nergens tegenaan stoten, niet stiekem onder de doek kijken en geen lawaai maken. Door het minste of geringste kon het beslag in elkaar ploffen en dan was alles voor niets geweest.

,,Ik ga naar bed'', sprak de moeder tot de jongen, ,,even liggen. Vanavond wordt het laat en ik wil niet onder Wim Kan in slaap vallen.''

Wim Kan was een cabaretier die op oudejaarsavond terugkeek op het voorbije jaar. Hij maakte grappige toespelingen op gebeurtenissen en politici. Het hele land keek naar zijn conference uit, iedereen was benieuwd hoe hij de hooggeplaatste personen er van langs zou geven.

De oudejaarsavondconference van Wim Kan was een traditie, maar dat wilde niet zeggen dat hij automatisch ieder jaar plaatsvond. Wim Kan had wel eens een jaartje geen zin, dan moest het volk het zonder grappen stellen. Wim Kan wilde ook per se alleen op de radio, niet op de televisie. Dat maakte hem extra geliefd bij de mensen die zich geen televisie konden veroorloven. Zij werden door zijn weigering gesterkt in hun wantrouwen tegen de nieuwe uitvinding: `Zie je wel: televisie is nergens goed voor. Wim Kan heeft het er ook niet op begrepen.'

's Avonds zaten ze met z'n drieën om de distributieradio: de moeder, de vader en de jongen. Ze genoten zonder geluid te maken omdat ze geen woord wilden missen.

Op nieuwjaarsdag bezocht de jongen zijn grootouders in het naburige dorp. Ooms en tantes, neven en nichten waren daar ook. De mannen dronken bier, de vrouwen kleine glaasjes advocaat of citroenjenever. Borden gingen rond waarop dikke plakken leverworst lagen.

Ze spraken over Wim Kan. Een oom vertelde wat hij de beste grap had gevonden, waarna al snel de anderen volgden. Het was weer kostelijk geweest. Niemand kon je zo laten lachen als Wim Kan. En niemand durfde zo brutaal te zijn.

Na een week was er een grammofoonplaatje in de handel met de hoogtepunten uit de oudejaarsavondconference. De jongen kocht het van zijn zakcenten. Hij draaide het tot hij de tekst van buiten kende. En daarna draaide hij het nog vele malen.

De platenspeler stond op de grond voor het dressoir. Hij lag op zijn buik met zijn hoofd voor de luidspreker. In dezelfde kamer stond de moeder te strijken. Voor de zoveelste keer luisterden ze samen naar dat grappige liedje over het witte huis waar Kennedy, de Amerikaanse president in woonde.

,,Je moet eens op de pianobegeleiding letten'', zei de moeder, ,,die vind ik ook zo knap.''

,,Die is van Ru van Veen'', zei de jongen.

Hij stond op en ging voor het raam staan, met zijn neus tussen de sanseveria's.