Over de drempel

In de nieuwjaarsnacht hebben ruim driehonderd miljoen Europeanen de stap gezet over de drempel van het eurotijdperk. Om klokslag middernacht begon de invoering van de Europese munt in twaalf lidstaten van de Europese Unie en tegelijkertijd het afscheid van de nationale bankbiljetten en munten. De munt van ieder land heeft haar eigen historie: in Nederland betrof het de gulden met een eeuwenlang beproefde traditie, in Duitsland de ruim vijftig jaar oude D-mark met een hoog psychologisch gehalte van stabiliteit en welvaart.

De invoering van de euro is de grootste monetaire omwenteling die landen ooit vrijwillig hebben doorgevoerd. Alleen al in louter logistieke zin is het een operatie in de overtreffende trap. Vijftig miljard munten en ruim veertien miljard bankbiljetten die ordelijk, veilig en publieksvriendelijk in omloop moeten worden gebracht, terwijl ongeveer evenveel oude munten en bankbiljetten uit de circulatie moeten verdwijnen. Voorzover na anderhalve dag valt na te gaan, verloopt de operatie vrijwel overal naar wens. Dat alleen al is een compliment op Europese schaal waard. Alleen Frankrijk weet met een staking van bankpersoneel op de eerste eurowerkdag de aandacht in negatieve zin op zich te vestigen.

In Nederland, waar voor het kortste omwisselingsscenario is gekozen, biedt de invoering van de euro aanleiding tot twee vaststellingen. Ten eerste dat de overheid het ministerie van Financiën en De Nederlandsche Bank uitstekend in staat is om een gecompliceerd, veelomvattend project te laten slagen. Een goede voorbereiding, een slanke organisatie en een duidelijk doel zijn daarvoor onontbeerlijk. En natuurlijk een toegewijd team mensen. Maar dan lukt het. Ten tweede dat het soms verguisde poldermodel zijn waarde bij de euro-omwisseling heeft bewezen. Vanaf het begin is gekozen voor een brede opzet, waarbij de particuliere sector, de overheid, brancheorganisaties en het georganiseerde middenveld betrokken waren. Misschien verliep de besluitvorming hierdoor wat traag, maar uiteindelijk was de inzet van alle partijen verzekerd. Op nieuwjaarsdag konden minister Zalm en president Wellink tevreden vaststellen dat het grootste probleem van de euro-invoering was dat zich geen grote problemen hadden voorgedaan. Wellinks opmerking dat Nederland `Europees kampioen' euro-invoering zou worden, was daarbij net naast de plank: de euro is geen Nederlandse maar een Europese aangelegenheid.

Hoe dan ook, noch de voorspelde protesten noch de beweerde chaos hebben zich voorgedaan. Al zal de komende dagen moeten blijken of alles werkelijk soepel verloopt wanneer het grote en kleine geld zijn weg door de nerven van de huishoudeconomie moet gaan vinden.

Euroland, zoals het muntgebied van de landen met de euro wordt aangeduid, bestaat eigenlijk al sinds 1999, toen de wisselkoersen van elf, en later twaalf landen onlosmakelijk aan elkaar werden vastgeklonken. De fysieke verschijning van de bankbiljetten en munten, én de omzetting van alle prijzen in euro's, maakt de euro nu pas tastbaar voor het brede publiek. De gewenning zal enige tijd kosten, maar de aanvankelijke scepsis, ook in de EU-lidstaten die zich buiten het monetaire blok hebben geplaatst, lijkt snel te zullen wegebben. De euro is nu tastbaar aanwezig en trouwens ook onontkoombaar. Binnen vier tot acht weken is het `duale tijdperk' voorbij en is de euro het enige wettige betaalmiddel.

Hoewel de muntunie in praktische zin een monetaire aangelegenheid is, kan de politieke dimensie van het proces premier Kok beklemtoonde dit in de nieuwjaarsnacht in Maastricht terecht niet genoeg worden onderstreept. Landen die tot halverwege de vorige eeuw nog de verschrikkelijkste oorlogen met elkaar voerden, volkeren die elkaar wantrouwden of zo ver van elkaar afwonen dat ze eigenlijk niets met elkaar gemeen hebben, verplichten zich om gemeenschappelijk hun geld te beheren. Waarbij de enige zekerheid is dat ze er allemaal bij gebaat zijn dat het een succes wordt, omdat ze allemaal schade ondervinden als het geen succes wordt.

Of de euro een Europese identiteit zal bevorderen, moet worden afgewacht. Zeker is dat de munt geen eindpunt in het Europese integratieproces is: door het gemeenschappelijke geld zal afscheid van nationaal beleid op nieuwe terreinen wenselijk blijken. Voor de hand liggend zijn politie- en justitiezaken. Het is moeilijk vol te houden dat euroland wél één munt, maar niet een gemeenschappelijke opsporingsdienst tegen vervalsers of geharmoniseerde straffen tegen bankrovers heeft. Dit werpt licht op een ander aspect dat niet genoeg kan worden beklemtoond. Voor Nederland zijn Portugal en Finland met de euro net zoveel binnenland als in het guldenstijdperk Limburg en Groningen waren. Politiek en economisch zijn de eurolanden met elkaar verbonden, maar ook aan elkaar overgeleverd, in goede en in slechte tijden. Dat schept verplichtingen waaraan landen, of belangengroepen in landen, zich niet langer kunnen onttrekken.

Het eurotijdperk is begonnen. De munt vergroot de transparantie van de Europese markten en de voortgaande economische vervlechting, maar de euro is niet het panacee voor alle kwalen van de Europese economieën. Het succes van de euro zal worden afgelezen aan duurzaam lage inflatie. De resultaten die zijn bereikt bij de sanering van de overheidsfinanciën in de aanloop naar de muntunie zullen moeten worden vastgehouden. Hiervoor staat het zogenoemde stabiliteitspact in theorie garant, maar de praktijk zal zich moeten bewijzen nu de conjunctuur terugloopt. Verdere hervormingen blijven wenselijk. In het ene land zal het om het pensioenstelsel gaan, in andere om de sociale zekerheid of de arbeidsmarkt. De discipline van één munt, met alle voordelen van dien, vereist flexibiliteit. Na de champagne over de geslaagde invoering blijft dit de uitdaging van de euro.