Totale censuur?

De Afghaanse zanger Karimpour Ismael heb ik nooit horen zingen. Ik had zelfs nooit van hem gehoord en ik zal wel niet de enige zijn. Onlangs las ik een bijdrage van hem in Le Monde onder een verrassende kop: `Merci aux journalistes!'

Als je zoiets ziet staan, denk je meteen aan loodzware ironie. Wat hebben die vermaledijde journalisten nu weer op hun geweten? Weer gelogen, de feiten verdraaid, zelfcensuur toegepast? Nee, Ismael meende het, hij is de internationale pers echt dankbaar voor haar aanwezigheid in zijn land van herkomst en noemt die niet minder belangrijk dan een internationale vredesmacht.

,,Wij zijn de pers, de gezamenlijke media, grote erkentelijkheid verschuldigd: hun aanwezigheid ter plaatse speelde en speelt een zeer belangrijke rol om de gebeurtenissen te kunnen begrijpen (...) Met hun pennen, hun camera's, hun satelliettelefoons zijn de journalisten de echte vredessoldaten.'' Op het conto van de media kan men volgens de Afghaanse balling schrijven dat voor het eerst bij een machtswisseling in zijn land afrekeningen en plunderingen grotendeels zijn uitgebleven. ,,De ideale omgeving voor de barbarij is het isolement, de afwezigheid van journalisten. De ware vijanden van de vrijheid zijn degenen die hen verhinderen hun werk te doen.''

Nu moet je een dergelijke lofzang op de rol van de media onmiddellijk relativeren. Het is waar dat moordenaars, beulen en verkrachters zich bij hun bloedige handwerk belemmerd voelen door de aanwezigheid van professionele pottenkijkers, maar het is even waar dat de westerse media uiterst selectief zijn in het tonen van hun belangstelling. Op talloze momenten in de jongste geschiedenis en op talloze plaatsen in de wereld konden en kunnen de slachtoffers van geweld en onderdrukking vragen: waar waren jullie? En de lijst van plaatsen en tijden die achter deze vraag kan worden ingevuld, zal klinken als een vernietigende aanklacht tegen onverschilligheid, afzijdigheid en opportunisme.

Desondanks was dit Afghaanse geluid – eindelijk kon de wereld meekijken, dank aan de getuigen – een verfrissende aanvulling op de doorgaans negatieve analyse van de rol van de media na 11 september. In kwaliteitskranten als Le Monde en The New York Times worden vooral kritische noten gekraakt over de volgzame opstelling van de Amerikaanse televisiestations. Thomas Sancton, oud-chef van het Parijse bureau van Time Magazine, nam in Le Monde zijn medejournalisten onder handen. ,,In de storm van verontwaardiging en wraakzucht kwamen de Amerikaanse media onder druk te staan van de regering, de publieke opinie en hun eigen patriottische reflexen. Als gevolg hiervan is de absolute persvrijheid, gegarandeerd in het Eerste Amendement van de Amerikaanse Grondwet, ingeruild voor een gecontroleerd informatiesysteem en zelfcensuur'', luidt zijn harde oordeel.

Hij citeert de baas van Fox News Channel, John Moody, die de berichtgeving over Afghanistan vergeleek met het beschrijven van een zwarte kat op een zwart toneel. In de gevechtszones oefent het Pentagon rigoureuze controle uit op het beeldmateriaal, media moesten het doen met wat de militairen vrijgaven. Het Witte Huis oefende druk uit op de omroepen om `vijandelijke propaganda' niet uit te zenden, USA Today werd door de regering beticht van onverantwoordelijk en onpatriottisch gedrag en Condoleezza Rice, de veiligheidsadviseur van Bush, probeerde de pers allerlei voorschriften op te leggen.

Nog altijd spelen de ervaringen tijdens de Vietnamoorlog de autoriteiten parten. Met de publicatie van geheime documenten en de verspreiding van schokkende oorlogsbeelden droegen de media indertijd bij aan een omslag in de publieke opinie, die zich tegen de oorlog keerde. In contrast daarmee geeft de Amerikaanse pers nu blijk van meegaandheid en dociliteit, soms zelfs van een verbazingwekkende ijver in de ondersteuning van het regeringsbeleid. Samengevat komt de kritiek op de Amerikaanse media, die voor een deel ook van toepassing is op de journalistiek in het algemeen, neer op twee verwijten: volgzaamheid aan de regering en haar woordvoerders en het naar de bek praten van het publiek.

De moeilijkheid met debatten over de rol van de journalistiek is vanouds dat het vrijwel onmogelijk is generaliserend over `de' media en `de' journalisten te spreken. Toch is de discussie alleszins de moeite waard. De critici waarschuwen terecht dat de journalistiek zich op een hellend vlak bevindt als zij haar klassieke taken verwaarloost: eigen, onafhankelijke nieuwsgaring; controleren in plaats van legitimeren of napraten van de machthebbers.

In Nederland wordt dit debat slechts mondjesmaat gevoerd. Als het al gebeurt, krijgt het meteen karikaturale trekjes. Henri Beunders, hoogleraar geschiedenis van media en maatschappij aan de Erasmus Universiteit, schrijft in het blad van Amnesty International, Wordt Vervolgd: ,,De Amerikanen hebben besloten een schim na te jagen, en zijn misschien wel in een nieuw Vietnam terechtgekomen. Net als in de Golfoorlog is er totale censuur.''

Totale censuur? Die hadden we in '40-'45. Dan hoort Beunders onmiddellijk een illegale krant op te richten. Maar bij nader inzien komt zijn hooggeleerde mijmering helemaal niet neer op een protest tegen censuur, de kern van zijn betoog is de filosofische constatering: ,,We willen de wereld niet, we willen ons beeld van de wereld'' – een uitspraak van de socioloog Den Hollander uit 1975, die Beunders zonder bronvermelding gebruikt om de media anno 2001 te typeren.

Ik heb de afgelopen weken enkele debatten mogen bijwonen over de journalistiek en de oorlog, maar in plaats van mediakritiek hoor je daar alleen kritiek op meningen waar men het niet mee eens is. Kenmerkend is de filippica van romanschrijver Karel Glastra van Loon in Vrij Nederland. Onder de titel `Allemaal leugens' betoogde hij dat de berichtgeving berust op een neoliberaal complot. De marktwerking in het nieuws zou een effectievere vorm van volksmisleiding zijn dan het nieuws van de staatsmedia in de Sovjet-Unie onder regie van de KGB. ,,De War on Terrorism is een kunstig gefabriceerde leugen.'' En wat ik, als onderdeel van het neoliberale complot, in deze rubriek over de oorlog heb geschreven, had volgens hem de woordvoerder van het Pentagon niet beter kunnen formuleren.

Rest de vraag hoe deze stoutmoedige onthulling van Karel heeft kunnen ontsnappen aan de totale censuur waar we volgens Henri onder zuchten.