We zaten vol opgekropte woede

Christine Otten warmt zich aan het gezelschap van `The Last Poets', de Afro-Amerikaanse dichters van eind jaren zestig. ,,Weet je nog?'', zegt Umar, ,,die keer dat ik de ruiten van die auto kapot schoot?''

Als een wervelwind vloog Sassan Gari op blote voeten door zijn smalle blauwgroen geschilderde appartement in Brooklyn. Hij pakte een cd uit een rek, draaide aan een paar knoppen in zijn mini-studio en liep door naar de slaapkamer. De dichter Umar Bin Hassan zat op de bank. Zijn hoofd rustte op zijn zware borst. Hij had zijn pet afgedaan waardoor de kale ronde plek op zijn schedel zichtbaar werd. Hij snurkte. Het was een mooie heldere dag.

,,Word eens wakker'', fluisterde Sassan. Hij was een goede vriend van Bin Hassan. Een Iraanse muzikant en componist.

Umar gaf geen krimp.

,,Ik wil je iets laten horen.'' Hij hield de cd in de lucht.

Umar wreef de slaap uit zijn ogen. Hij zag er verfomfaaid uit.

Sassan zette de muziek op. Dunne ijzingwekkend hoge tonen van een trompet vulden de smoezelige woonkamer. Op de achtergrond metalige geluiden van verval en destructie. ,,Alsof je de geesten van de doden zag opstijgen'', zei Sassan. ,,Ik was toevallig op het dak toen de vliegtuigen de torens doorboorden. De lucht was oranje en lila.''

Umar liep naar de provisorische studio. Zijn hoofd bewoog mee met de trage grillige melodie. Hij mompelde wat in zichzelf, zocht naar woorden die bij de wonderlijk mooie muziek pasten die Sassan na de ramp had gecomponeerd. ,,Je moet me een tape meegeven'', zei Umar, ,,dan maak ik een gedicht. Nemen we het de volgende keer op, okay?''

Drie weken was ik in Amerika om onderzoek te doen voor een roman over The Last Poets, de laatste dichters, zoals ze zichzelf noemen. Militante zwarte mannen die eind jaren zestig, in de tijd van de Black Panthers, furore maakten in Harlem en daarna in de rest van Amerika. David Nelson, Gylan Kain, Abiodun Oyewole, Felipe Luciano, Umar Bin Hassan, Jalal Nurridin, Sulayman El Hadi en Nilija de drummer. Ze traden op, zongen chants op de ritmes van de conga's, terwijl een van hen naar voren stapte en een gedicht voordroeg, gedreven en muzikaal. `Niggers are scared of revolution. Niggers are untogether people. When the revolution comes. My pretty nigger. This is Madness.' Nooit hebben ze allemaal tegelijk op het podium gestaan. Ze bevochten elkaar om rechten en roem. Om wie de naam The Last Poets mocht dragen. Alsof ze niet opgewassen waren tegen de kracht van hun eigen poëzie.

De levensverhalen van de individuele dichters zijn net zo tumultueus en wild en inspirerend als hun gedichten. `Niggers are lovers. Niggers love to hear Malcolm rap but they didn't love Malcolm. Niggers love anything but themselves.' Armoede, druggebruik, overvallen, drankzucht, pogingen tot moord spelen in de verhalen van de Poets een even grote rol als jazz en poëzie en liefde en politiek en ambitie en verlangen. Een microkosmos van zwart Amerika, noemde Bin Hassan The Last Poets toen ik hem en Abiodun Oyewole voor het eerst ontmoette in Harlem, in de zomer van 2000. De zomer waarin ik besloot dat ik een boek over ze wilde schrijven. Ik wilde met familieleden en en muzikanten praten, met dichters en vrienden. Ik wilde achter de gedichten kijken, begrijpen waar ze vandaan kwamen. `He was/that one last feeling of logic before the needle punctured the vein. He was the music the morning after the resurrection of pain and prayers in the twisted honor and slight applause of demons and folkheroes stabbing us in the back./ He was a love supreme.'

Twin Towers

Op 7 september kwam ik in New York aan. Vier dagen later vlogen de vliegtuigen in op de Twin Towers. Ik had geprobeerd door te werken, alsof ik zo het kwaad en de verwarring van mijn lijf kon houden. Ik was met de A Train onder het WTC door gegaan, de dag na de aanslagen, op weg naar Far Rockaway, een schiereiland ten oosten van Manhattan waar een zus van een van de dichters woonde. De trein kroop langs de verlaten donkere stations. Op een van de perrons stond een soldaat met een zwart besmeurd gezicht en een kapje voor zijn mond. Een branderige plasticgeur sijpelde het compartiment in. Toch voelde ik nauwelijks angst. Wel opluchting toen Umar Bin Hassan me de volgende dag opbelde en zei dat ik de nachtbus naar Detroit kon nemen, dat hij me daar zou oppikken.

,,Weet je nog?'', zei Umar, ,,die keer dat ik de ruiten van die auto kapot schoot omdat een of andere klootzak aan mijn vriendin zat?''

Ik zat op de achterbank van de witte Cadillac van Reggie Watson, de hartsvriend van Umar Bin Hassan. Reggie en Umar zaten voorin. Er stond muziek op. Gelikte jazzmuziek, soepel als het leer van de banken in de Cadillac. We reden door Akron, Ohio, de geboorteplaats van Bin Hassan.

,,We were crazy'', zei Reggie.

,,En toen ik in de billen kneep van hoe-heet-ze-ook-alweer? Ze was een mooi zwart meisje. Het was in een club in Cleveland. Ze danste met een vriend van mij. I fucked up. Ik had wat joints gerookt, speed geslikt en ik kneep in haar geweldige achterste. Oehhh, ik voelde dat ze het fijn vond, maar die motherfucker zag het gebeuren, die zag dat ze ervan genoot en hij pakt zijn dubbelloops geweer en richt hem op mijn gezicht. `I kill you, I kill you', roept-ie. Ik lullen tot ik een ons weeg en uiteindelijk laat hij zijn geweer zakken. Ik zag dat-ie bang van me was. Ik ga die kroeg uit en pak mijn pistool uit mijn motherfuckin' auto. Ik wacht een poosje. En toen hij er aankwam, schoot ik hem voor zijn raap. I shot the nigger. Hij was niet dood. Ik was gek in die tijd. Later heb ik nog met die griet gevreeën.''

,,God takes care of all babies and fools'', mompelde Reggie. Reggie en Umar kenden elkaar van de kleuterschool. Ze waren altijd vrienden gebleven, ook al zagen ze elkaar soms jaren niet.

Ik at de tonijnsandwich op die ik had gekocht. Ik keek naar buiten, naar houten huizen met de veranda's en de bossen erachter. Akron was een groene stad. Reggie draaide de volumeknop van de radio naar rechts en de auto vulde zich met lome sexy nachtclubmuziek. Het was tien uur in de morgen.

,,Toch is het geen leven'', zei Umar.

,,Wat?'', zei Reggie.

,,Leven als outlaw, als een voortvluchtige.''

Reggie knikte bedachtzaam. Hij stopte de auto en wees naar een onbeduidend grijs pleintje met een kruidenierswinkel. ,,Dat is de Custard Stand. Daar begonnen de rellen in '68. We stonden met een groepje jongens wat te hangen en Umar, Jerome heette hij toen nog, begon over de rellen in Los Angeles en de zwarte beweging. We waren het zat dat de politie ons altijd treiterde. Er zat zoveel opgekropte woede in ons. Ik weet niet wie er begon, maar een van die gosers gaat die winkel in en begint in het wilde weg spullen te pakken. Daarna brak de hel los. Sommigen begonnen blanken in elkaar te slaan. Het was echt oorlog, met tanks in de straten. Op een avond hadden we een gebouw bezet. We wilden er activiteiten voor onszelf organiseren. Er was niets voor zwarten in Akron. De politie sommeerde ons naar buiten te komen. Deden we natuurlijk niet. De Nationale Garde kwam en ik hoorde dat een vent zei dat ze traangas naar binnen moesten gooien. Ze schoten zoveel gas naar binnen dat het gebouw vlam vatte. Er zaten vrouwen en kinderen in. Vijftig mensen in totaal. We probeerden naar buiten te komen maar de agenten hielden de zware ijzeren deur dicht. We konden nauwelijks meer ademen. Op een gegeven moment sprong Buddy Louis, een maat van mij, in paniek door een raam en zo zijn we ontsnapt. De politie hield geweren op ons gericht. We werden in busjes geladen en naar het bureau gebracht. Jerome werkte nog bij Firestone, de rubberfabriek. De volgende dag stond zijn foto in de krant. Hij werd direct ontslagen. Een paar maanden later vertrok hij naar New York. Zei dat hij dichter wilde worden. Ik weet nog dat ik moest lachen. Maar ik heb altijd geweten dat-ie iets zou worden. Als klein kind al wilde ik graag in zijn buurt zijn, het was alsof hij meer wist over het leven dan ik, waarom de dingen waren zoals ze waren.''

De zondag voor de aanslagen bezocht ik Bill Laswell, bassist en producer, in zijn huis in Greenwich Village. Het was een zonnige dag maar Laswell had alle ramen in zijn woonkamer geblindeerd. Zachte Perzische tapijten dempten de geluiden. Alsof we in een studio waren. Laswell vertelde hoe hij als tiener in Albion, Michigan luisterde naar de eerste platen van The Last Poets. Hoe die ritmische gedichten een onuitwisbare indruk op hem maakten. ,,Ik had maar een passie: muziek. Ik was blank, maar ik had niks met rock. Toen hoorde ik de Poets, die ritmes, met vrienden gingen we de nummers naspelen, geluiden toevoegen, ik speelde bijna uitsluitend met zwarte muzikanten.''

Eind jaren tachtig was Laswell inmiddels een gelauwerd muzikant die met alle grote namen uit de jazz en de funk werkte: Herbie Hancock, Ornette Coleman, Pharao Sanders, George Clinton. Maar The Last Poets lieten hem niet los. Waar waren die kerels die zoveel hiphopartiesten hadden geïnspireerd? Leefden ze nog? Inmiddels had hij Jalal Nurridin in Rhode Island weten op te sporen, waar hij een kleine acupunctuurpraktijk runde. En Sulayman El Hadi. En Laswell had ervoor gezorgd dat de oude platen opnieuw uitgebracht werden. ,,John Simpleton wilde een film maken, Poetic Justice, met Tupac Shakur en Janet Jackson. Hij wilde The Last Poets laten optreden. Zo kwamen we Umar op het spoor. Hij leefde op straat. Had niets anders dan de kleren aan zijn lijf. Hij kwam naar mijn studio in Brooklyn en droeg een paar nieuwe gedichten voor. Zijn stem was zo sterk. Later belde hij me op om zich te excuseren. Zei dat hij beter kon en of hij het over mocht doen.''

Kwetsbaar

Twee jaar woonde Umar in de kamer boven de studio van Bill Laswell, samen met andere dakloze muzikanten. Laswell hielp hem terug te komen: ,,Op een avond luisterden we samen naar een stuk van Eddy Hazel. Eddy was een gitarist die kort tevoren aan een overdosis was overleden. Hij worstelde al jaren met drank en drugs, een geweldige muzikant. Umar was gefascineerd door Eddy. Ik denk dat ze veel gemeen hadden. In ieder geval, we luisterden naar dat stuk, een ballade en Umar zat er meteen in. Hij kroop in de muziek, in de snerpend hoge tonen van Eddy. Ik zag het gebeuren. Hij was helemaal weg. Umar is een echte muzikant, al speelt hij geen noot. Zijn vader speelde trompet. Muziek heeft niets met techniek te maken. Het gaat om de ervaring van creativiteit. Soms moet je jezelf binnenstebuiten keren totdat er iets rauws en eerlijks komt. En dat maakt je kwetsbaar. Te maken wat niemand anders maakt, wat niet normaal is. Dat kost pijn, frustratie. Dan helpen drugs soms, drugs zijn goedkoop.

Umar was ontzet toen de muziek was afgelopen. Hij ging naar boven en schreef zijn gedicht.

,,`And so I play I play I play walking to their smiles/ Pain uptempo/ Sensitivity open to the four winds/ I want you to feel this thing when fingers touching strings/ This strange thing that kisses my lips/ Whispers in my ears.' De volgende dag namen we het op, over de muziek heen. Umar weet precies wat frasering is, bij welke noot hij even moet wachten of een woord moet herhalen. Waneer hij hoger moet gaan, nog hoger. Hij weet het van Miles Davis en John Coltrane. Van zijn vader. Dat zoeken naar de juiste toon. De opname was in een keer goed. En niemand in de studio had het droog gehouden. Zelfs George Clinton niet.''

Een paar dagen voor mijn terugreis naar Nederland belde Umar naar mijn hotel. ,,Kom over tien minuten naar Amsterdam Avenue en de 81-ste Straat, dan laat ik je mijn mooiste plek in de stad zien en de meest rottige plek.''

Ik stoof het hotel uit. Umar stond op de hoek van de straat. Zijn voorhoofd gefronst.

,,Ik heb me bedacht. Te gevaarlijk.''

,,Te gevaarlijk?''

,,Gevaarlijk!'' Hij wendde zijn blik af.''

,,Toe nou'', zeurde ik. ,,Ik ben niet bang.''

Hij trok zijn wenkbrauwen op. Even later scheurden we in een taxi richting Harlem.

,,Eerst het mooie'', zei Umar. We liepen naar Riverstate Park, een stukje groen, bovenop een vuilverbrandingsoven. We keken uit over het donkere water van de Hudsonrivier die als een brede uitvalsweg voor ons lag, een vluchtweg naar god-weet-waarheen, weg van de stad, de stank en de drukte. Aan de overkant de groene heuvels van New Jersey. Een meisje zat tegen een boom en schreef in een boekje. ,,Laten we haar niet storen,'' zei Umar, ,,ze schrijft vast een gedicht.''

Daarna liepen we Harlem in ter hoogte van de 146-ste Straat. Overal waar ik keek stonden groepjes zwarte mannen bij elkaar te hangen. Een drukte van jewelste. ,,Loop naar de hoek en kijk de straat in'', zei Umar, ,,ik blijf hier, anders denken ze dat ik een undercover meeneem.'' We waren in de drugsbuurt. Umars lelijkste plek van de stad, waar hij ooit voor een paar dollar crack scoorde. Ik wandelde naar de hoek. Wachtte voor het stoplicht. Het begon al te schemeren. De lichtjes van de voorbijrazende auto's flikkerden op mijn netvlies. Uit een bar kwam schreeuwerige salsamuziek. Opgeschoten jongens hingen quasi-verveeld op protserige auto's. Ik dacht aan wat Umar me verteld had over een parkje hier dichtbij, aan de rand van de snelweg. Een parkje waar de bodem bezaaid lag met vuile naalden en afval en zilverpapier. Hij ging er vaak naartoe om crack te roken en seks te hebben met andere junkies. Ik moest aan een gedicht denken dat hij had geschreven, in diezelfde tijd. `The sun was dim that childish morning (-) /There were no crowded rooms for our love to cross/ no smoke filled fantasies to ensure our happiness/ Ours had become a comedy of errors/ A tragedy from the dark side of the moon/ Conversations that become shrieks and shrills in the echo's of laughter/ But still we tried.' Ik hoorde de dreunende stroeve beat onder de woorden, het hoge gejank van de gitaar. Het was alsof de muziek en de woorden in mijn hoofd versmolten met het gonzende tumult om me heen. Het stoplicht sprong op groen. Ik wilde de straat oversteken. In de verte zag ik Umar wild gebaren. Ik liep terug.

,,Ben je gek geworden?'', riep hij. ,,Dacht je dat je als blanke hier zo maar kunt rondstappen?'' Hij schudde zijn hoofd. En ik stond met beide benen op de grond.