Wil je soms dat het verboden wordt?

Pillenslikkende agenten, porno op tv, exorbitante optieregelingen – wie pleit voor een publieke moraal, wordt met het recht op persoonlijke vrijheid om de oren geslagen, en vice versa. Wat persoonlijk is en wat openbaar moet opnieuw gedefinieerd.

Het zou niet meer dan een wrange anekdote zijn geweest, tragisch en ironisch, maar zonder veel resonans – als het niet in het Nederland van 2001 zou zijn gebeurd: de 34-jarige vrouw die enkele weken geleden tijdens een massale dansparty in Zaandam overleed bleek bij de politie te werken. Ze had zich na haar werk in een strak fetisjpakje gesnoerd, een levensgevaarlijke partydrug geslikt en was de oververhitte dansvloer opgegaan, samen met enkele collega's, onder wie agenten. Het feest, meldde de kranten, had een ,,sterk erotisch karakter''. Beneden in het gebouw bevond zich een donkere kamer voor openbare seks. De politie liet achteraf in een verklaring weten geschokt te zijn en beschuldigde de feestende agenten ervan het blazoen van het corps te hebben besmeurd.

Zou er iets over gezegd zijn, wanneer het avondje strak gedrogeerd stappen geen fatale afloop had gehad? Wat het incident onrustbarend maakt is juist het achteloze ervan; nergens in de berichten wordt de indruk gewekt, dat de agenten er een fijn schuldig genoegen aan beleefden de wetten te overtreden die ze zelf geacht werden te handhaven. Dat ook politieagenten in de verleiding komen drugs te gebruiken spreekt vanzelf. En natuurlijk houden ze er ook seksuele fantasieën op na; het zijn de smakelijke krantenberichten over agenten in functie die poedelnaakt met hun eigen handboeien om aan de bedspijlen worden gevonden die het langst in je geheugen blijven hangen. Ook politiemensen hebben recht op hun excessen. Maar met de onmiddellijke schorsing wekt de korpsleiding de indruk dat de agenten op het seksfeest in Zaandam zich van geen exces bewust waren – dat ze geen onderscheid maakten tussen hun privé en hun openbaar gedrag.

De onmachtige discussies over ,,normen en waarden'' die in Nederland vooral het afgelopen jaar steeds opnieuw opborrelen gaan eigenlijk altijd daar over: het vervagen van de grenzen tussen het persoonlijke en het algemene, het gebrek aan zinvolle spelregels voor de publieke ruimte. Dat die discussies meestal niet meer zijn dan korte oprispingen van onvrede en heilige verontwaardiging, die onherroepelijk eindigen in een bozige oproep tot wat meer moreel besef bij de ander, geeft al aan hoe moeilijk de kwestie ligt: een gemeenschappelijke taal ontbreekt. Er zijn nauwelijks algemeen geldende referentiepunten. Het is, zo blijkt uit een onderzoek dat vandaag in het Algemeen Dagblad staat afgedrukt, niet zo moeilijk er persoonlijke opvattingen over verantwoord gedrag op na te houden. Bijna iedereen beschouwt zichzelf als een fatsoenlijk mens die zijn grenzen kent. Het wordt pas problematisch, wanneer zulke opvattingen een algemene geldigheid verleend moet worden.

Neem de heer Scheepbouwer van het noodlijdende KPN; gevraagd voor een hondenbaan die grote carrièrerisico's met zich meebrengt, is het hem gelukt wat de meesten van ons geprobeerd zouden hebben: het onderste uit de kan krijgen. De heer Scheepbouwer ambieert waarschijnlijk waar maar weinig mensen vies van zijn, namelijk rijk worden door goed werk te leveren. Maar in een sociale context ziet die persoonlijke ambitie er heel wat dubieuzer uit. Torenhoge verliezen, massale ontslagen, een dreigende overname – omringd door zoveel economische ellende maakt dezelfde heer Scheepbouwer ineens de indruk van een cynische parasiet, die zich volvreet ten koste van anderen. Na hem de zondvloed. ,,Exorbitant'', noemde zelfs de VVD de beloningen die hij zichzelf heeft toebedacht en natuurlijk spreken ook de overige politieke partijen er schande van; en vervolgens wordt de heer Scheepbouwer natuurlijk ongemoeid gelaten, want hij heeft immers niets op zijn geweten. Hij heeft slechts zijn persoonlijke ambities verwezenlijkt, op een manier zoals die decennia lang juist door de VVD is aangemoedigd. De grens tussen zelfontplooiing en zelfverrijking is niet gemakkelijk te trekken. Ik ken de heer Scheepbouwer niet, maar tien tegen één dat hij een keurige man is, die zijn kinderen een zo goed mogelijke opvoeding probeert te geven en zijn vrouw belt wanneer hij moet overwerken. Zijn moraal is alleen persoonlijk, daar ligt het probleem, ze strekt zich niet uit tot het publieke domein.

Daar botst het, steeds opnieuw: enerzijds het recht op persoonlijke vrijheid, de aanhoudende oproep tot zelfverwezenlijking, die gepaard gaat met een afkeer van moralisme en hypocriete fatsoensrakkerij, en aan de andere kant het groeiende verlangen naar sociale coherentie, naar zoiets als een publiek moreel besef dat boven het persoonlijk belang gaat. Geen wonder dat die discussies over nieuwe normen en waarden zo snel onhelder worden en eindigen in beschuldigingen over en weer: wie pleit voor een publieke moraal, wordt met het recht op persoonlijke vrijheid om de oren geslagen. En vice versa.

Hoe onontwarbaar die kluwen is zie je aan seks op televisie. Je bent opgegroeid met het idee dat seks niet iets vies is, iets waarvoor de mensheid zich eeuwenlang ten onrechte heeft geschaamd. Bovendien vinden de meeste mensen het niet vervelend om naar aantrekkelijke andere mensen te kijken die iets seksueels doen; ze kijken er zelfs liever naar dan naar een programma over tuinieren of een programma waarin over nieuwe romans wordt gediscussieerd. Het gevolg is dat de publieke ruimte inmiddels is opengesteld voor een stortvloed quasi-porno. Zap 's avonds langs de commerciële zenders en je belandt in een eeuwigdurende orgie van pompend vlees, aangevuld met talloze schijnheilige semi-documentaires over vrouwen in de `seksindustrie', over fetisjparty's en de geheime sekswensen van Hollanders die overdag hele gewone dingen doen, op een kantoor zitten of bij de politie werken. Het is schraal en plat, en vooral te veel. Opnieuw ontstaat het gevoel dat wat in de privé-sfeer ongeremd uitgeleefd moet kunnen worden niet automatisch ook voor de publieke ruimte geschikt is.

We geven de mensen wat ze willen, zeggen de televisiebaasjes als Fons van Westerloo steeds opnieuw. Als een programma over bloemschikken meer kijkers zou trekken, zenden we dat uit. Ranzigheid sells. Het is het roestvrijstalen cynisme van de vrije markt, aangevuld met beschuldigingen van hypocrisie en fatsoensrakkerij. Want wie roept dat avond aan avond op vier kanalen softe hardporno (wild neuken zonder details) te veel van het goede is, schaart zich voor hij het weet bij het fundamentalistische kamp, dat tegen alle seks in beeld is. Daarbij, je bent er zelf ook niet vies van, geef maar toe. Wil je soms dat het verboden wordt?

Dat is de valstrik die klaarligt voor de pleitbezorgers van een nieuw normbesef; terwijl ze zich verzetten tegen het wezenloze laisser faire dat de publieke ruimte onleefbaar dreigt te maken, bevinden ze zich voor ze het weten op de barricaden van de traditionele, all out moralisten, die, gevoed door religieuze geboden, faliekant tegen zijn. Vlak nadat de zelfbenoemde imam Haselhoef in een radioprogramma met het mes op de keel had toegegeven dat wat hem betreft homoseksuelen die in bijzijn van minstens vier gelovige islamieten seks hebben ter dood moeten worden gebracht, kwamen onze eigen fundamentalisten van de SGP met een verkiezingsprogramma waarin gepleit werd voor een verbod op ,,homoseksualiteit in het openbaar''. Wat zij daarmee precies bedoelen is onduidelijk, ik ben bang dat ik mij er zelf ook wel eens schuldig aan gemaakt heb. Maar wat opvalt is de scheiding die de partij maakt tussen de privé-sfeer en de openbare ruimte. ,,Tegen de geaardheid mag je niets zeggen'', piepte een van de ontwerpers van het verkiezingsprogramma tegen de pers, bang om door boze Gaykrant-lezers voor de rechter gesleept te worden.

Maar homoseks in het openbaar, dat roept visioenen op van praalwagens met halfnaakte mannen in leer die elkaars lichaamsopeningen verkennen, van argeloze ouders met kinderen die in parken en op parkeerstroken tegen rillende blote mannen aanlopen en door een zee van tissues moeten waden voor ze van de natuur kunnen genieten – kortom, het schrikbeeld van menig buurtcomité. Dat is een invoelbare ergernis, die opnieuw de kwestie oproept van de grens tussen persoonlijke vrijheid en de regels van de openbare ruimte. Mensen die hun stem verheffen tegen seksende mannen in de bosjes, kun je niet klakkeloos beschuldigen van homohaat; net zoals je van iemand die niet gediend is van televisieporno niet kunt zeggen dat hij tegen porno is. Dat is een hardnekkig misverstand. Toen Schelto Patijn als burgemeester van Amsterdam een paar jaar geleden verordende dat de typisch Amsterdamse porno-ansichtkaarten niet langer voor de winkels op straat verkocht mochten worden, stak er een korte storm van protest op en werd de burgemeester afgeschilderd als een fatsoensrakker en moraalridder, die korte metten wilde maken met de traditionele vrijheden van de hoofdstad. Maar Patijn pleitte helemaal niet voor een verbod op ansichtkaarten van hasjrokende lullen en geinig penetrerende Amsterdammetjes; hij verlangde alleen dat ze niet langer deel uitmaakten van de openbare ruimte, waarin iedereen ze ongevraagd voorgeschoteld kreeg.

Aan de andere kant: natuurlijk is de SGP tegen homoseksualiteit als zodanig, en natuurlijk beschouwen ze ook een zoen in het openbaar al als publieke homoseksualiteit. De wet dwingt hen tot achterbakse formuleringen; ze zijn onbetrouwbare raadgevers in deze discussie, net als mensen als Haselhoef, die zich door de hongerige media laten verleiden tot absurde morele hypothesen zonder enig realiteitsgehalte. Alsof er in islamitische landen als Marokko algemene discussies zouden plaatsvinden of homoseksuelen die het doen in het bijzijn van vier getuigen nu wel of niet ter dood gebracht moeten worden. En wat hadden die vier getuigen daar eigenlijk te zoeken?

Toch is het veelzeggend dat de laatste tijd ineens zoveel mediabelangstelling bestaat voor de religieuze dogma's van gelovigen in de Nederlandse samenleving. Want zij vormen eveneens een bedreiging van de publieke ruimte – van de andere kant, als het ware. Met hun discriminerende opvattingen, gebaseerd op andere bronnen dan de Nederlandse grondwet of de Verklaring van de Rechten van de Mens, lijken ook zij geen onderscheid te kunnen maken tussen hun persoonlijke religieus geïnspireerde moraal en de regels voor het publieke domein. Alleen is het in hun geval niet het primaat van de persoonlijke vrijheid die publieke spelregels onmogelijk maakt, maar juist het primaat van de persoonlijke gebondenheid. Het gebod regeert.

Vorige maand weigerde een aantal islamitische bezorgers M, het kleurenmagazine van deze krant, rond te brengen omdat op het omslag de koran was afgebeeld (en er binnenin ook nog eens wat blote vrouwen te zien waren). Daar werd in de commentaren schande van gesproken, de vrijheid van drukpers was in het geding, heette het; een grondrecht dat er bij de Nederlandse islamieten nu maar eens goed ingehamerd moest worden. Het incident werd voorgesteld als het zoveelste voorbeeld van oprukkend islamitisch fundamentalisme in de Nederlandse samenleving, waarvoor de angst hier, zeker na 11 september, hysterische trekjes lijkt te krijgen. Er was nauwelijks of geen begrip voor de overtuigingen van de bezorgers. Een beetje vreemd vond ik dat: waren er eindelijk jongeren die ergens in geloofden, was het weer niet goed. Of ze nu waren opgehitst door de toenemende polarisering tussen islamieten en niet-islamieten of niet, dat ze moeite hebben om handelingen te verrichten die tegen hun geloofsovertuigingen ingaan lijkt me niet iets om schamper of kleinerend over te doen, enkel en alleen omdat je die overtuigingen niet deelt. Er is wel degelijk sprake van een oprecht moreel dilemma; wat moet je laten prevaleren, je persoonlijke geloof of de publieke spelregels? Over de regels van het publieke domein bestaan geen misverstanden: daar heerst de vrijheid van drukpers en de lezers van deze krant hebben recht op hun bijlage of er nu de koran op staat of een blote bil. Maar hoe verhoud je jezelf tot dat publieke domein?

Dat lijkt me de hamvraag. De hortende discussie over normen en waarden is te lang gevoerd in een context die volgens mij hopeloos achterhaald is – en daarom leidt ze ook nergens toe. Het beeld van een samenleving die ooit stoelde op een aan het christendom ontleende moraal – en die na de ontkerstening ook haar moreel besef kwijtraakte – leidt al gauw tot een weinig praktische nostalgie en het dwingende verlangen die normen en waarden weer in hun oude glorie te herstellen. Dat is onmogelijk. Gelukkig maar, want het zou ongetwijfeld leiden tot een ongezond soort moralisme en blijvende inperking van persoonlijke vrijheden. Aan de andere kant schiet niemand er iets mee op wanneer iedere poging tot het formuleren van algemene spelregels ogenblikkelijk op één lijn wordt gesteld met het benauwende moralisme dat Nederland in de jaren vijftig in zijn greep had. Moreel besef is iets anders dan moralisme.

Veel werkbaarder lijkt het me wanneer de termen van die discussie opnieuw gedefinieerd worden. Het gaat niet langer om het formuleren van een algemeen geldende moraal die onze levens volledig in zijn greep houdt, zoals de mannen van de SGP zo graag zouden willen, maar om het opnieuw afbakenen van wat persoonlijk is, en wat openbaar. Dat vereist bewustwording van onze persoonlijke relatie tot de openbaarheid; want het is het besef van gemeenschap dat de afgelopen decennia geërodeerd is, en niet ons moreel besef, zoals de moralisten ons zo graag willen doen geloven. Je persoonlijke vrijheid is niet iets waar je anderen dag en nacht mee lastig kunt vallen, net zoals je je diepste religieuze overtuigingen niet tot algemeen geldende wetten kunt verklaren. Je eigen persoonlijkheid en opvattingen en het publieke domein vallen nu eenmaal niet samen, al wil dat niet zeggen dat je die opvattingen zult moeten opgeven. In een opnieuw gedefinieerd publiek domein zouden een pillenslikkende agente en de islamitische krantenbezorger elkaar kunnen ontmoeten zonder fataal met elkaar in botsing te komen. Wat hen bindt is niet de liefde voor elkaar, en ook niet hun morele overtuigingen; het is enkel het besef dat ze, zodra ze het publieke domein betreden, niet helemaal zichzelf kunnen zijn.