We zijn dus echt zo

In 1899 haalde het Rijksmuseum blij een grote hoeveelheid klederdracht binnen. Als `prullaria en vervalschingen' werd de aanwinst 20 jaar later per stoomboot afgevoerd. Geen identiteit is eeuwig, zo blijkt uit een belangrijk volkscultuurboek.

Als scholier wilde Ad de Jong (Den Haag, 1947), nu conservator aan het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem, een opstel schrijven over de Friese Beweging. Een medewerker van de Provinciale Bibliotheek in Friesland wees hem er fijntjes op dat hij bepaalde onderwerpen maar niet moest aanroeren omdat die het domein waren van mensen die `fout' waren geweest in de oorlog. Als hij zich wilde bezighouden met bijvoorbeeld de voor Friese boerderijen zo typerende uilenborden – een driehoekig bord in de top van het dakschild, versierd met een makelaar gesteund door twee zwaanfiguren – dan zou hij zich op glad ijs bewegen. Pas veel later drong bij de naoorlogse generatie het besef door dat tijdens de bezetting alleen mensen `goed' of `fout' konden zijn en niet objecten, zoals levensbomen, houtsnijwerk met zonneraderen, uilenborden of borden en bekers gedecoreerd met oranjebomen of de letter W van Wilhelmina.

Dat racistisch geïnfecteerde ideeën over volkscultuur in Duitsland een vooraanstaande plaats in de nationaal-socialistische ideologie kregen, heeft deze tak van wetenschap lange tijd in een verstikkende greep gehouden. In Nederland collaboreerden enkele toonaangevende vakbroeders tijdens de bezetting. Het duurde tot in de jaren zeventig voordat het demythologiseringsproces ook in Nederland doordrong, waarbij verschillende uitgangspunten van de vooroorlogse volkskunde als pure ideologie ontmaskerd werden. Een hoofdrol was hierbij weggelegd voor J.J. Voskuil en andere medewerkers van het P.J. Meertens-Instituut.

Ad de Jong heeft nu met zijn deze maand verdedigde proefschrift De dirigenten van de herinnering een heel belangrijke bijdrage geleverd aan de herwaardering van de volkskundebeoefening in Nederland. Het is een met zorg en liefde gemaakt boek dat werkelijk subliem geïllustreerd is; beeldredacteur Joost van Aalst had een ereplaats in het colofon behoren te krijgen in plaats van een terloopse en plichtmatige vermelding in het woord vooraf. De waarde van dit goed geschreven boek zit hem niet zo zeer in het `demythologiseren' of in het `deconstrueren' van inmiddels achterhaalde opvattingen (op dat aambeeld is inmiddels voldoende gehamerd), maar in de heldere en in sommige opzichten zelfs uitputtende beschrijving van hoe het allemaal zo ver heeft kunnen komen. Met een minimum aan theoretische of conceptuele ballast laat de schrijver de gebeurtenissen voor zich spreken.

Nationale waarden

In geheel Europa van Finland tot Portugal ontstond in de loop van de negentiende eeuw een grote belangstelling voor de volkscultuur. Het op de markt komen van fabrieksproducten, de explosieve groei van steden en de toenemende culturele uniformiteit werden gezien als een bedreiging van traditionele leefpatronen en waarden, die men (ook toen al) beschouwde als de fundamenten van de nationale identiteit. Aanvankelijk werd daarbij een geïdealiseerd beeld geschapen van boeren en vissers als de bevolkingsgroepen die het meest de nationale waarden in ere hielden. Zij werden, zo schrijft De Jong, `beschouwd als de meest authentieke representanten van de natie, in wie de karaktereigenschappen van de verre voorvaderen nog herkenbaar waren'.

Van iets dat ruw en onbeschaafd was en bestreden moest worden, was de volkscultuur eind achttiende, begin negentiende eeuw verheven tot iets dat gekoesterd en bewaard moest worden. Friesland liep, wat dit proces betreft, in ons land voorop. Hier werd in 1827 door een groep hoogopgeleide notabelen het Fries Genootschap opgericht. Hoewel voor het merendeel van de leden de bijeenkomsten van het Genootschap niet meer dan een aristocratisch tijdverdrijf waren, wilde een enkeling (zoals boekhandelaar Wopke Eekhoff en de taalkundige Joost Hiddes Halbertsma) werkelijk verzamelen, documenteren en publiceren. Al vroeg stond door hun toedoen de studie van Hindeloopen hoog op de agenda van het Fries Genootschap.

De Jong reconstrueert met grote precisie hoe het huisraad en de kleding uit dit Friese Zuiderzeestadje konden uitgroeien van een lokale cultuuruiting tot nationaal erfgoed. Fascinerend zijn de passages over de wijze waarop de Hindeloper kamer zich tot hét volkskundige interieur van Nederland ontwikkelde. Op de Historische Tentoonstelling van Friesland in 1877, bij gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van het Fries Genootschap, was de meest spraakmakende attractie een gereconstrueerde Hindeloper kamer. In het Stadhouderlijk Paleis in Leeuwarden was een kamer ingericht waarin, met houten poppen gehuld in Hindeloper dracht, een theedrinkend gezin verbeeld werd. De bezoeker kon letterlijk door de kamer heen lopen. Een schippersknecht uit Jorwerd verwoordde de identificatie met het tentoongestelde treffend: `het leek net of de bewoners thee zaten te drinken, maar niet het fatsoen hadden om ons een kopje te presenteren omdat ze stom waren van verbazing'. De Hindeloper kamer zou een jaar later te zien zijn op de wereldtentoonstelling in Parijs.

Ook andere landen identificeerden zich in deze jaren door presentaties van volkscultuur. Klederdrachten en andere uitingen van volkscultuur, zoals houtsnijwerk en beschilderde meubels, werden als de beste wijze gezien om zich als natie naar buiten toe te onderscheiden en naar binnen toe te verenigen. In Nederland waren vooral de liberalen op zoek naar symbolen van eenheid die alle groeperingen in de samenleving aanspraken en het gemeenschapsgevoel bevorderden. De monarchie was één van deze symbolen, de gemusealiseerde volkscultuur een andere. In 1898 werden beide aan elkaar gekoppeld. Ter gelegenheid van de inhuldiging van koningin Wilhelmina werd in het Stedelijk Museum in Amsterdam een tentoonstelling van nationale klederdrachten gehouden. Bij deze gelegenheid – toen de golf van nationalisme in Nederland een voorlopig hoogtepunt bereikte – waren de klederdrachten niet meer alleen nationaal in de betekenis van `typisch inheems', maar ook symbolen van nationale eenheid. Het lag dan ook in de lijn dat de voor deze gelegenheid verzamelde klederdrachten een vaste plaats kregen in het Rijksmuseum.

Beschermingsoffensief

De sterk toegenomen belangstelling voor overblijfselen uit het eigen verleden vormde de basis voor een `beschermingsoffensief' dat in de jaren rond 1900 zijn organisatorische vorm kreeg. In een tijdspanne van nog geen vijftien jaar werden de Nederlandsche Oudheidkundige Bond, de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten en de Bond Heemschut opgericht. Deze organisaties waren niet alleen nationaal in de zin van bovenlokaal, maar vooral ook in de zin van alle gezindten betreffend. Deze beschermende organisaties waren niet verzuild en zouden het later ook niet worden. Uit de karakterschetsen van de leidende figuren en de duiding van de maatschappelijke context van de organisaties, maakt De Jong overtuigend duidelijk dat het beschermingsoffensief geen zaak was van nostalgische en wereldvreemde figuren, maar dat deze personen hun tijd eigenlijk ver vooruit waren.

De volkscultuur kon haar vooraanstaande plaats niet lang vasthouden, door ontwikkelingen die zich vanaf ongeveer 1910 in de museumwereld voltrokken. Bij een nieuwe generatie museumdirecteuren kwam de pure schoonheidsbeleving centraal te staan. Dus moesten musea gezuiverd worden van voorwerpen die alleen maar van (cultuur)historisch belang waren. Zelfs een openlijke deelname van Johan Huizinga aan dit debat ten gunste van de `historische component' kon niet voorkomen dat het primaat bij de kunstmusea kwam te liggen. Een direct gevolg hiervan was dat de klederdrachtencollectie – in 1899 nog met veel enthousiasme binnengehaald – een kleine twintig jaar later als `prullaria en vervalschingen' uit het Rijksmuseum verwijderd werden. Met een stoomboot werd de `verzameling levensgroote gekleede poppen', zoals ze in Amsterdam geregistreerd stonden, naar het pas opgerichte Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem verscheept.

De Jong besteedt om symbolische redenen veel aandacht aan deze gebeurtenis. De volkscultuur werd niet alleen uit het centrum van het land naar de periferie verbannen, maar ook nog eens losgemaakt uit het grotere geheel van de rubriek `zeden en gewoonten'. Doordat in het Rijksmuseum voortaan nog slechts ruimte was voor stedelijke (volks)cultuur, werd de volkscultuur steeds meer verengd tot archaïserende plattelandscultuur. De koers van het Nederlands Openluchtmuseum versterkte deze tendens alleen nog maar.

Een van de weinigen die inzag dat de volkscultuur hiermee een eenzijdige en voor het grote publiek minder aantrekkelijke richting zou opgaan, was de journalist D.J. van der Ven. Hij wist zich tot de belangrijkste `dirigent van de herinnering' te ontpoppen. Door zijn enthousiasme, vlotte pen, gevoel voor publiciteit en affiniteit met het moderne toerisme werd Van der Ven bij het grote publiek de personificatie van de volkscultuur. Mede door persoonlijke frustraties – door zijn eigengereid optreden liep hij vaste aanstellingen mis – ging Van der Ven in het interbellum tot die groep mensen behoren die zich zorgen maakte over de verwording van de samenleving, de opkomst van de massacultuur en de verdorvenheid van de stad. Van der Ven zag in de revitalisering van de plattelandscultuur een tegenwicht tegen de kwalen van de tijd en een middel tot opwekking van vaderlandsliefde en eenheid.

Op basis van een grondige bestudering van de nagelaten aantekeningen van Van der Ven, komt De Jong tot een ontluisterende beschrijving van de handel en wandel van deze handelsreiziger in de volkscultuur. De opmerking dat in een manuscript van een in maart 1940 gehouden lezing latere doorhalingen zijn aangebracht in verband met het gebruik van dezelfde tekst tijdens de oorlog, waarbij het woord `clan' systematisch vervangen is door het Germaanse `sibbe', is veelzeggend. Het was vooral D.J. van der Ven die door zijn contacten met de bezetter de volkskunde in Nederland in diskrediet bracht. Waarschijnlijk tot opluchting van zijn werkgever, kan Ad de Jong bestuur en directie van het Nederlands Openluchtmuseum in deze volledig uit de wind houden. Het is wel wrang dat uitgerekend op het moment dat de proefschriftversie van De dirigenten van de herinnering van de persen rolde, bekend werd dat dit museum in zwaar weer terecht is gekomen. De aangekondigde forse bezuiniging voorziet de laatste zin uit de epiloog van een geheel andere lading dan de auteur bedoeld zal hebben: `Maar geen identiteit is eeuwig, zelfs niet die van een museum'.

Ad de Jong: De dirigenten van de herinnering. Musealisering en nationalisering van de volkscultuur in Nederland 1815-1940. SUN, 687 blz. ƒ99,17

    • Cor van der Heijden