Tredmolen van vriend en vijand

Is de `oorlog tegen het terrorisme' het begin van nieuwe mondiale samenwerking, of de zoveelste ronde in de eeuwige strijd om de macht tussen nationale staten? Politicoloog John Mearsheimer maakt zich geen illusies: het gaat om de macht. Maar hij miskent de invloed van binnenlandse factoren, en van de moraal, op het beleid van democratieën.

De strijd tegen het terrorisme na de elfde september heeft vele vrienden opgeleverd. Opeens speelt de nucleaire proliferatie in landen als Pakistan geen rol meer, zijn de schendingen van de mensenrechten in China van ondergeschikt belang en blijkt de vuile oorlog in Tsjetsjenië een schone bijdrage aan de strijd tegen het fundamentalisme. Het gaat nu om de onderdrukking van het terrorisme en daarbij zijn hele en halve dictaturen van harte welkom. Overwogen wordt zelfs om Rusland een vetorecht te geven in allerlei aangelegenheden binnen de NAVO.

Dat we nu een bommentapijt uitrollen voor de krijgsheren van de Noordelijke Alliantie, heeft veel te maken met machtspolitiek en minder met een internationale rechtsorde. Het patroon van bondgenootschappen – de vijand van mijn vijand is mijn vriend – draait in een cirkel waaraan moeilijk valt te ontsnappen. De volgende burgeroorlog ligt al in het verschiet en de wapens zullen zich dan opnieuw keren tegen de gulle gever van gisteren.

Het is lang niet zeker of achter de coalitie tegen het terrorisme het inzicht gloort dat grote mogendheden een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid dragen en zich meer moeten aantrekken van mondiale problemen.

Tegelijk gloort achter de coalitie tegen het terrorisme het inzicht dat grote mogendheden een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid dragen en zich meer moeten aantrekken van globale problemen. De kwetsbaarheid van Amerika heeft velen aan het denken gezet. Het besef is gegroeid dat we leven in een wereld van afhankelijkheden en dat terrorisme niet alleen met macht kan worden weersproken, maar ook tot morele heroverweging dwingt. Wat zal uiteindelijk het zwaarst wegen: draagt deze oorlog bij aan een nieuwe wereldorde of is het een voortzetting van de wereldwanorde met andere middelen?

Dat laatste wordt met grote nadruk beweerd in het magnum opus van de Amerikaanse politieke wetenschapper John J. Mearsheimer. In zijn The Tragedy of Great Power Politics zegt hij dat na de ineenstorting van de Sovjet-Unie het gedrag van de grote mogendheden niet wezenlijk is gewijzigd: `In feite bekommeren alle belangrijke staten in deze wereld zich ten zeerste om het machtsevenwicht en zijn ze voor de afzienbare toekomst ertoe veroordeeld om hun onderlinge machtsconcurrentie voort te zetten.' De wil om de machtsbalans ten gunste van zichzelf te veranderen kenmerkt nog steeds het gedrag van grote mogendheden, die elkaar ten diepste wantrouwen en nooit de mogelijkheid van geweldsgebruik uitsluiten als de omstandigheden daarvoor gunstig lijken.

Daarmee kiest Mearsheimer een duidelijke positie in een lang lopend debat. Er staan grof gezegd twee interpretaties van de internationale politiek tegenover elkaar. Meestal worden ze aangeduid met liberalisme en realisme. Volgens de `realistische' opvatting wordt de internationale politiek fundamenteel gekarakteriseerd door anarchie. De machtsstrijd tussen staten – die de belangrijkste actoren zijn in de inter-nationale politiek – wordt niet getemd door een boven de partijen staande macht.

Door deze aard van het internationale systeem zullen staten erop uit zijn om hun macht te handhaven of te vergroten en wordt oorlog als middel om politieke doelen te verwezenlijken niet geschuwd. Om de dynamiek van de conflicten te begrijpen, doet de aard van het regime er niet wezenlijk toe. Amerika en de Sovjet-Unie waren bondgenoten tegen Duitsland en Japan, maar de oorlog was nog niet voorbij of Japan en Duitsland waren bondgenoten tegen de Sovjet-Unie. Dictaturen, democratieën en de mengvormen daarvan; alle staten zijn gevangen in een eeuwige machtsstrijd die altijd kan ontaarden in oorlog.

Mearsheimer schrijft al op de eerste bladzijde van zijn boek: `De hoop op vrede zal waarschijnlijk niet worden verwerkelijkt, want de grote mogendheden die het internationale systeem vormgeven, vrezen elkaar en strijden als gevolg daarvan om macht. Hun uiteindelijke doel is om dominantie te verwerven, want zulke overmacht is de beste manier om te overleven. Kracht levert veiligheid op en de grootste kracht is de beste garantie van veiligheid. Staten zijn veroordeeld tot een conflict omdat ieder probeert een voordeel tegenover de ander te verwerven. Dat is een tragische situatie'.

Tegenover deze op Thucydides en Machiavelli geïnspireerde denkschool staat de liberale benadering van de internationale betrekkingen. Het kenmerkende verschil met het realisme is dat de aard van regimes wezenlijk wordt geacht voor hun buitenlandse politiek. Anders gezegd: het internationale systeem heeft geen wetten die los staan van de constitutie van de deelnemende staten. Het maakt volgens de liberale traditie een groot verschil of we met democratieën te maken hebben of met autoritaire regimes.

De Duitse filosoof Kant heeft de klassieke versie van deze benadering verwoord. In zijn beroemde Zum ewigen Frieden van 1795, geschreven met de echo van de Franse Revolutie in het hoofd, breekt de Duitse filosoof een lans voor een verbond van constitutionele republieken. Staten met een burgerlijke rechtsorde zouden in zijn optiek geen oorlog met elkaar voeren. Burgers hebben zo'n direct belang bij vrede om hun welvaart en welzijn te verbeteren dat in een democratische republiek hun stem tegen oorlog altijd de doorslag zal geven. Verder baseert Kant zijn `eeuwige vrede' op de gedeelde belangen van handeldrijvende naties en op een groeiende openbaarheid als fundament van wereldburgerschap.

Deze tweehonderd jaar oude tekst heeft een verrassende actualiteit. Zijn visie wordt ondersteund door het gegeven dat oorlogen tussen landen met een democratische constitutie uiterst zeldzaam zijn. Daarentegen zijn democratieën in hun betrekkingen met de rest van de wereld niet wars van het gebruik van geweld. In deze liberale benadering zijn internationale organisaties van doorslaggevend belang. Die reguleren het gedrag van de staten en zorgen ervoor dat rechtsgelijkheid het wint van de machtsverschillen in de wereld. Interdependentie of gedeelde afhankelijkheid zijn sleutelwoorden in deze benadering van de wereldpolitiek.

Mearsheimer verdedigt de realistische traditie, maar maakt daarbinnen weer een onderscheid. Er is het `defensieve realisme' dat streeft naar machtsevenwicht en, vindt hij, te veel nadruk legt op de status quo. In die visie wordt ervan uitgegaan dat grote mogendheden die een oorlog beginnen tegen andere grote mogendheden, eigenlijk tegen hun eigenbelang handelen, omdat ze een coalitie van staten in het leven roepen waartegen ze nooit zijn opgewassen. De mislukte greep naar de macht in Europa door Napoleon en Hitler zijn klassieke voorbeelden, net als de agressieoorlogen van Japan.

Mearsheimer wil een benadering die het instabiele karakter van de internationale politiek benadrukt en noemt zijn opvatting `offensief realisme'. Het is niet waar dat agressie nooit voordeel oplevert. Hij verwijst naar de drie oorlogen waarmee Bismarck Duitsland verenigde tussen 1864 en 1871. Grote mogendheden streven in ieder geval naar dominantie in hun eigen regio, omdat ze daarmee zoveel mogelijk veiligheid verwerven. Dat streven maakt dat grotere mogendheden zelden status quo-machten zijn, maar voortdurend eropuit zijn het internationale systeem in hun voordeel te wijzigen. Overleven dwingt tot agressief gedrag, macht moet wat: `Hoeveel men ook samenwerkt, niets kan deze overheersende logica van de concurrentie om veiligheid doen verdwijnen.'

Wanneer Mearsheimer zich concentreert op landen als Japan, Duitsland, Italië vóór 1945 en op de Sovjet-Unie tot 1990, heeft hij niet veel moeite om de expansionistische kant van de politiek van grote mogendheden aan te tonen. Dat het in geen van deze gevallen om democratieën gaat benadrukt hij evenwel te weinig en dat brengt hem in grote problemen bij de verklaring van het gedrag van de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. Waarom hebben de Britten, midden negentiende eeuw, zich zo terughoudend opgesteld? Ze hadden immers geen andere ambitie op het Europese continent, dan het voorkomen dat een andere grote mogendheid dat continent zou overheersen. Dezelfde vraag kan men stellen over de Verenigde Staten na de Tweede Wereldoorlog.

Mearsheimers antwoord is dat de Amerikanen op een agressieve manier de hegemonie in de nieuwe wereld in de negentiende eeuw hebben nagestreefd en daarin zijn geslaagd. Maar het is moeilijk, zo niet onmogelijk om duurzaam macht te projecteren in overzeese gebieden waar andere grootmachten aanwezig zijn. Dat noemt hij de stopping power of water: hetzelfde water dat deze insulaire mogendheden beschermt, maakt veroveringen moeilijk. Maar waarom heeft Japan dan wel agressieoorlogen tegen continentale staten als China en Rusland ondernomen?

Omdat hij de aard van het regime in de verklaring van de buitenlandse politiek te weinig nadruk geeft, blijven vele vragen in de studie van Mearsheimer onbeantwoord. Daarin ligt een duidelijke tekortkoming. We moeten dan ook de liberale en realistische scholen van denken over de wereldpolitiek aan elkaar scherpen, want het is duidelijk dat de wereld waarin we leven een gemengde orde is, waarin zowel traditionele machtspolitiek als het streven naar duurzame vrede te herkennen zijn. Het hangt van de tijd en de plaats af wat de overhand heeft.

In Europa wordt geprobeerd het ideaal van eeuwige vrede te benaderen om zo het onderlinge verkeer te onttrekken aan de tragische wereld die Mearsheimer schildert. Dat hij zo weinig heeft te zeggen over de Europese Unie is opvallend. Want deze uitdijende groep van landen, die straks vijfentwintig of meer lidstaten zal kennen, probeert natuurlijk naast een economische gemeenschap, ook een veiligheidsgemeenschap en een rechtsgemeenschap te vormen.

Mearsheimer merkt wel terecht op dat een geslaagde politieke eenwording van Europa zou leiden tot een nieuwe grote mogendheid die gevangen is in machtspolitieke strijd. En inderdaad, hoe zal betrokkenheid bij de wereldwanorde buiten de grenzen inwerken op de `eeuwige vrede' binnen de grenzen van de Unie? Kan een multinationale gemeenschap een effectieve machtspolitiek voeren en zal door zo'n politiek het interne evenwicht binnen deze Unie niet worden verstoord? Nu al zien we grotere lidstaten die de kleinere landen in de crisis na elf september buiten het overleg willen houden.

Mearsheimer bespreekt twee grote mogendheden-in-wording die het machtsevenwicht kunnen verstoren: Duitsland en China. Vergelijking van de twee maakt een wezenlijk verschil duidelijk. De inbedding van Duitsland in een internationale rechtsgemeenschap is een wezenlijke factor bij de aanvaarding van de eenwording en van de militaire rol die het land speelt in de oorlog na elf september. Daardoor zijn de angsten bij landen als Frankrijk en Groot-Brittannië minder groot dan ze waren geweest in een situatie die louter was bepaald door een machtsevenwicht.

De vergelijking met China maakt dat verschil tussen een geïntegreerde en een soevereine natie duidelijk. Mearsheimer overtuigt veel meer waar hij het heeft over de dreiging die uitgaat van de economische groei en daarmee van de toenemende militaire macht van China. China zou met zijn gigantische bevolking al bij eenzelfde BNP per persoon als het huidige Zuid-Korea de omvang van de Amerikaanse economie overvleugelen. Daarom ligt in die regio een grote verstoring van het machtsevenwicht op de loer, ook al zou China zich ontwikkelen in een meer democratische richting.

Maar, zegt Mearsheimer, zelfs al zouden we de theorie van de democratische vrede onderschrijven, dan nog `is het onwaarschijnlijk dat alle grote mogendheden in het systeem democratisch worden en dat gedurende langere tijd blijven. Er is slechts een niet-democratisch Rusland of China voor nodig om de machtspolitiek gaande te houden en het is waarschijnlijk dat beide staten ten minste een deel van de eenentwintigste eeuw niet democratisch zullen zijn.'

Of Mearsheimer met zijn nadruk op de relaties tussen de grotere mogendheden de belangrijkste dreigingen in het internationale systeem op het spoor is, valt te betwijfelen. Door de kernwapens is een rechtstreekse oorlog tussen deze mogendheden namelijk moeilijk denkbaar. De elfde september heeft geleerd dat de dreiging kan komen van terroristische netwerken, die zich aan het klassieke conflict tussen grote mogendheden onttrekken. Dat deze mogendheden zich gelijkelijk bedreigd voelen en elkaar steunen na de aanslag op New York en Washington is dan ook niet zo verwonderlijk. De impact van het hedendaagse terrorisme legt een nieuwe wereldwanorde bloot.

De internationale politiek laat een menging zien van klassieke machtsstrijd en internationale rechtsordening. In de Golfoorlog en de oorlog tegen Afghanistan herkennen we veel van het machtsrealisme dat Mearsheimer in zijn studie beschrijft en bepleit. Niet alleen speelt in beide oorlogen de machtspolitieke positie van de Verenigde Staten een prominente rol, ook zien we bij de opbouw van de internationale coalitie dat de aard van regimes er niet toe doet. De Verenigde Staten, maar ook Nederland, hebben er geen probleem met dictatoriale regimes in hun strijd tegen de Taliban en het Al-Qaeda netwerk van Bin Laden. Bij de beoordeling van het bewind in het bevrijde Kuweit en straks in Afghanistan telt vooral stabiliteit en niet zozeer democratie.

Wanneer Mearsheimer in weerwil van speculaties over een nieuwe wereldorde herinnert aan de duurzame kant van machtspolitieke concurrentie, dan heeft hij het gelijk aan zijn kant. Hoeveel er ook over vervagende grenzen wordt gesproken, de verdediging van het eigen grondgebied tegen geweld vraagt om aanzienlijke militaire middelen. In de wereldwanorde moeten ook democratieën zich wapenen. We horen nu ineens veel minder in defensiekringen dat de klassieke verdedigingstaak eigenlijk achterhaald is.

Tegelijk is dezer dagen meer dan ooit duidelijk dat het `realisme' leidt tot een tredmolen van vriend en vijand, die gemakkelijk van plaats kunnen wisselen. Dat de Talibaan mede een product zijn van Amerikaanse bemoeienis met Afghanistan tijdens de Koude Oorlog, geeft aan dat de tragedie van de grote mogendheden die Mearsheimer beschrijft, deels van eigen makelij is. Bondgenootschappen zonder beginsel scheppen een beperkte veiligheid, ook voor de grote mogendheden. Dat beseffen we des te beter na elf september.

Het besef van een groeiende afhankelijkheid en de noodzaak van internationale instituties, vormt dan ook een onontkoombaar onderdeel van onze werkelijkheid. De oorlogen in Irak, Kosovo en Afghanistan zijn mede ingegeven door een opvatting over de internationale rechtsorde. Het duidelijkste voorbeeld is de oorlog in Kosovo, waarbij de NAVO door bombardementen de autonomie van deze provincie wilde afdwingen. De interventie had een humanitair doel, namelijke de bescherming van de Albanese bevolking en week daarmee af van de klassieke machtspolitiek. Deze oorlogen scheppen morele verplichtingen en zo kunnen ook grote mogendheden gebonden raken aan de normen die ze de wereld voorhouden.

John J. Mearsheimer: The Tragedy of Great Power Politics.

Norton, 555 blz. ƒ91,–

    • Paul Scheffer