Stravinsky schold goed

Het nieuwste boek over Igor Stravinsky staat boordevol nieuwe biografische informatie, met vooral veel aandacht voor min of meer scandaleuze feiten, maar leert ons amper iets over zijn muziek. Charles M. Joseph geeft in Stravinsky Inside Out geen overzicht van de wieg tot het graf, maar brengt wel bijzonderheden omtrent deel-onderwerpen aan het licht, zoals de ontstaansgeschiedenis van enkele composities, zijn relatie met zijn zoon Soulima en zijn assistent Robert Craft, zijn obsessie met zijn imago en zijn tomeloze drang naar aandacht in de media. De feiten die Joseph aandraagt zijn weliswaar nieuw, ze zijn ontleend aan ongepubliceerde documenten, maar bevestigen een beeld dat reeds bekend was uit specialistische publicaties.

Dat dit beeld nu ook doordringt tot geïnteresseerde leken, bevestigt de bijna mythische status van Stravinsky, die kennelijk moet worden doorgeprikt. Die twijfelachtige eer blijft vooralsnog onthouden aan Bartók, Schönberg en Varèse, om maar te zwijgen van na-oorlogse kopstukken als Stockhausen, Xenakis en Boulez. Stravinsky inside out is ook tekenend voor de steeds hogere status van de biografie, en de daarmee groeiende misvatting dat kunst volledig verklaarbaar zou zijn uit persoonlijke omstandigheden.

Een voorbeeld. De recente aandacht voor Stravinsky's Russische erfgoed, veroorzaakt door de omvangrijke studie van Richard Taruskin, Stravinsky and the Russian Traditions, verklaart absoluut niet hoe de componist deze erfenis creatief heeft verwerkt, terwijl dat Stravinsky juist maakte tot wie hij was.

Dat hij fantastisch kon schelden op andersdenkenden, mindere componisten en niet al te goede vertolkers, politiek dubieuze standpunten had en niet vies was van antisemitisme, ondanks zijn joodse vrienden, was reeds bekend uit andere bronnen. Bij Josephs scandaleuze aanpak hoort uiteraard ook dat hij verzwijgt voor welke mensen Stravinsky wel respect had: componisten als Elliott Carter en Pierre Boulez, musici die de hem dierbare trouw aan de partituur verenigen met een sterk ego (Pierre Monteux en Charles Rosen) en musicologen die hem inzicht verschaften in de relatie tussen oude en nieuwe muziek (Leo Schrade en Manfred F. Bukofzer).

Omdat hij de grootste componist was, mocht hij onbeschaamd provoceren, vond Stravinsky zelf. Toen CBS in 1965 een televisieportret aan hem wilde wijden, terwijl kort daarvoor Pablo Casals was belicht, bood CBS hem hetzelfde honorarium als de beroemde cellist. Stravinsky wilde meer. `Casals was slechts een musicus, geen componist. Wie herinnert zich nog musici uit de tijd van Beethoven?' Welke componist praat aldus publiekelijk over zijn vertolkers? Hoe pikant dergelijke roddels ook zijn, de volgende studie over Stravinsky zou moeten gaan over zijn relaties met zijn mensen van zijn eigen creatieve niveau.

Charles M. Joseph: Stravinsky Inside Out. Yale University Press, 320 blz. ƒ105,–

    • Emanuel Overbeeke