Op naar Auschwitz

Aangezien mijn vrouw dit keer werk te doen had in Kraków, het voormalige Krakau, boekte ik als nutteloze echtgenoot ook een reis naar wat als de mooiste stad van Polen wordt beschouwd. Een paar dagen later, ik zat net een varkenshaasje met boerenbrood te eten, werd ons het Ladies Program doorgefaxt. Op het programma stond onder meer een bezoek aan Auschwitz.

Per touringcar.

Daar hoefden wij niet heen, dachten we. Maar weer een dagen later verscheen in Het Parool een uit Le Monde overgenomen bericht dat een Italiaanse historicus en een Franse arts de resten hadden gevonden van de eerste gaskamer die in Auschwitz is gebouwd. In 1942 hadden de Duitsers even buiten het concentratiekamp een boerderij geconfisqueerd en op het bijbehorende land, daar waar het berkenbos begint, hadden zij een provisorisch gaskamertje neergezet om een en ander uit te testen. Volgens het bericht bevindt dat gaskamertje zich nog steeds in de boerderij en wordt momenteel geld ingezameld om de boerenfamilie die er nu woont een nieuw onderkomen aan te bieden.

De onrust nam toe. Op een nacht sloop ik uit bed en in een dik boek zocht ik op hoeveel familieleden er in Auschwitz waren omgekomen. Dat waren er nogal wat. Ik heb ze niet gekend, maar als de oorlog er niet was geweest, had mijn vader ook nooit mijn moeder ontmoet, was ik niet geboren en had ik mijn familie evenmin gekend. Om wie treurde ik eigenlijk? Ik kroop weer in bed, maar de onrust bleef. En het slechte humeur ook. Op de dag dat wij gingen pakken vroeg mijn vrouw vanuit de klerenkast: ,,Neem jij een zwembroek mee?'' Waarop ik terugsnauwde: ,,Hoezo, is er in Auschwitz dan een zwembad?''

De volgende dag vlogen wij via Wenen naar Kraków. Omdat de touringcar ons onder deze omstandigheden niet erg aantrok huurden wij op het vliegveld van Kraków een klein autootje. Ons hotel bleek een overblijfsel te zijn uit de communistische tijd, een betonnen kolos die er van buiten zwart uitgeslagen uitzag en die van binnen vergeefs door de nieuwe eigenaren was gerenoveerd. Wel ontdekte ik dat men in de kelder een zwembad had bijgebouwd.

Ik zei niets. Men kan in zijn woede niet klein genoeg zijn.

De dagen daarop moest mijn vrouw vergaderen, terwijl ik met ons autootje de omgeving verkende. Ik reed langs de rivier de Wisla en probeerde mij voor te stellen hoe de jonge Wittgenstein hier als soldaat had rondgevaren op een kanonneerboot. Ook bezocht ik de burcht en de oude binnenstad van Kraków. In Kazimir, de joodse wijk waar vroeger joden woonden, at ik een bord linzensoep in een joods restaurant waarvan in de gids wordt vermeld dat het eten niet kosjer is. Ik dronk er een paar glazen wodka bij. Uit een luidspreker klonk de muziek van Anatevka, zodat het werkelijk tijd werd om naar het hotel te gaan. Ik zag mijzelf als het middelpunt van een goedkope televisiedocumentaire en hoorde in voice-over het stemgeluid van Ivo Niehe. Ik moest niet zo veel drinken. Thuisgekomen zei mijn vrouw dat zij morgen plotseling vrij had en dat wij die dag wellicht konden gebruiken voor een bezoek aan Auschwitz.

De volgende ochtend lag er een dikke laag sneeuw over de auto. Wij verwijderden de sneeuw en krabden de ramen schoon. Toen gingen wij op weg. Het Poolse landschap lag er sprookjesachtig bij. Er was nog niet gepekeld en hier en daar moesten wij ons spoor op de tast zien te vinden. Binnen vertelde onze boordcomputer dat het buiten vier graden onder nul was. Binnen was het warm. De kachel stond hoog en wij hadden dikke truien aan. Op de achterbank lagen gevoerde winterjassen, voor straks. Wij kregen nog even ruzie over het feit dat ik het fototoestel in het hotel had laten liggen, maar de ruzie ebde snel weg, omdat het bij deze weersomstandigheden al een hele kunst was om op de weg te blijven.

Na zo'n dikke anderhalf uur rijden passeerden wij het bord Oswiecim, wat Pools is voor Auschwitz. De eerste verrassing kwam snel. De voor Auschwitz zo karakteristieke wachttorens en prikkeldraadomheiningen bevinden zich onmiddellijk aan de rand van de huidige stad. De grootste doodsmachine uit de geschiedenis doemt op als je het bakkertje, de slager en de supermarkt net achter je hebt gelaten. En waarom ook niet? Het liefst zou ik nu onze auto op het parkeerterrein van Auschwitz-Birkenau neerzetten, en dat gaat ook zo gebeuren, maar alvorens naar binnen te gaan wil ik iets opschrijven over sadisme in relatie tot de gaskamers. Houdt u gerust op met lezen. Ga wat anders doen. Schrijven is soms makkelijker dan lezen.

Bijna altijd worden de gaskamers gezien als een eindpunt en gemeten in termen van mensenlevens is dat natuurlijk zo. Maar de gaskamers worden vaak ook beschouwd als het eindpunt van het sadisme. In de gaskamers komt al het menselijk lijden samen, erger dan gaskamers kun je het niet verzinnen. Het zijn de gaskamers die het nazisme zo onbegrijpelijk maken. Dat mensen slecht zijn is verklaarbaar, maar dat de Duitsers, toch een gecultiveerd volk, tot zulke misdaden in staat zijn geweest gaat elk begrip te buiten.

Het is echter precies andersom. De gaskamers zijn niet einde van het sadisme, maar het begin. De gaskamers zijn begonnen met een idee. Iemand vond dat er een rein Arisch ras moest komen. Daar is men over gaan nadenken en toen kwam de gedachte op om de mensen die niet rein waren te vernietigen. Dat kan ik nog begrijpen. Maar toen men de theorie had, moest die ook in de werkelijkheid worden uitgevoerd – en dat is iets anders.

Eerst moesten de gaskamers worden ontworpen en gebouwd. Dat zijn in wezen nog abstracte handelingen, daar vind je altijd wel mensen voor. En toen de gaskamers er eenmaal stonden, moesten ze ook worden bediend. Dat was minder eenvoudig. De SS-officier die de ZyklonB-kristallen door de dakgaten liet vallen in de ruimte waar zich 1.500 naakte mensen bevonden hoorde het gekrijs van de stervenden. Daarvan moest hij bijkomen. Als beloning kreeg hij dan ook vijf sigaretten, een eenheid wodka en een diner in de A-klasse. Die SS'er kon zijn daad nog maar op één manier legitimeren. Door zichzelf wijs te maken dat zijn slachtoffers eigenlijk geen mensen waren, maar dieren. Een soort varkens, dat je kon opsluiten in kotten, dat je naar believen kon afslachten. Met die redenering is het onbegrijpelijk sadisme begonnen.

Maar genoeg getheoretiseerd. Laten wij naar binnen gaan.

(Wordt vervolgd.)

    • Max Pam